Home

Als ik maar niet door de mand val – de moeizame weg van eerstegeneratiestudenten

Het verschil tussen merlot en tempranillo. Waarom je géén ijsklontje in je wijn doet. Eten met mes en vork. Woorden als ‘paradox’ en ‘paradigma’. Beethoven, Rachmaninov, Simone de Beauvoir. Theater, muziekles. Doen alsof je alles wat je voor het eerst hoort of ziet doodgewoon vindt. De voortdurende angst om door de mand te vallen: ‘Elke verspreking, elke verkeerde beweging bevestigt dat ik hier niet hoor.’ En tegelijk worden voortgedreven door de gedachte: ‘Ik kan dit; het moet lukken.’

Wie wil begrijpen waarom diploma’s halen niet altijd genoeg is om mee te tellen, moet beslist de vierdelige documentaire kijken van Ricky Mohabbat, Ricky the Imposter (NPO). Het is een portret van een jongen van Hindostaans-Surinaamse afkomst die diploma’s stapelde, van vmbo tot universiteit, en andere studenten zoals hij, die als eerste in hun familie gingen studeren. Een verhaal over ambitie en wilskracht, over ouders niet willen teleurstellen, maar evenmin van elkaar willen vervreemden – ‘Jij voelde je gewoon een witte’, zegt zijn moeder – én over de eenzaamheid van deze weg, de faalangst en dwangmatigheid.

Gelukkig worden op veel universiteiten en hogescholen eerstegeneratiestudenten, met of zonder migratieachtergrond, nu beter begeleid, ook om te voorkomen dat ze uitvallen. Dat is niet alleen belangrijk voor die studenten, maar ook voor de samenleving. Het is hoognodig dat we leraren, artsen, fysiotherapeuten, psychologen, journalisten, advocaten en rechters hebben uit alle bevolkingsgroepen; dat leerlingen, lezers, cliënten en patiënten zich kunnen herkennen.

Over de auteur
Aleid Truijens is schrijver en recensent en columnist voor de Volkskrant. Ze schreef romans en biografieën over F.B. Hotz en Hella Haase. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit.

Vooral op de pabo wil het nog niet vlotten met die representatie, terwijl het daar eigenlijk moet beginnen: dat kinderen op de basisschool alle mogelijke juffen en meesters hebben om zich aan te spiegelen, die jou allemaal leren rekenen, maar ook hun eigen verhaal hebben. Niet alleen is het merendeel vrouw, ook het aandeel pabo-eerstejaars met een niet-westerse migratieachtergrond is laag: 4 à 5 procent, terwijl dat aandeel in het hele hbo 18,3 procent is. Volgens onderzoekers heeft dit te maken met de lage status van het beroep en ‘het weinig etnisch-cultureel diverse imago’ van de pabo. Hier valt nog veel te winnen.

Maar ook aan verschillen in culturele bagage die niets met afkomst te maken hebben en die eerstegeneratiestudenten zo onzeker maken, doet de pabo weinig. Uit een onderzoek van Piet Hagenaars blijkt dat op pabo’s 5,4 procent van de lestijd wordt besteed aan kunstvakken. In 1968 kregen de studenten nog wekelijks vier uur per week tekenen, zes uur muziek en vier uur handvaardigheid. Hagenaars wijt die verschraling aan het sindsdien gedaalde niveau van de kennisvakken bij pabostudenten, waardoor alle aandacht daarnaar uitgaat. Eenmaal leerkracht zullen ze de creativiteit en culturele kennis bij hun leerlingen niet kunnen helpen ontwikkelen. Dat is droevig voor kinderen die thuis geen boeken hebben en nooit naar theater of musea gaan, die het van de school moeten hebben.

Het meest onthullend in Ricky the Imposter vond ik het verbijsterde gezicht van Mohabbat als een voormalige studiegenoot, zoon van hoogopgeleide ouders, hem vertelt dat hij niet hoefde te studeren, maar dat zijn ouders hoopten dat hij ‘een compleet mens’ zou worden. Die ouders vonden, anders dan die van hem, een diploma niet het allerbelangrijkst – de omgekeerde wereld! Mohabbat ontdekt dat je met een master op zak niet per se ‘af’ bent. Dat hij een waardevolle achtergrond meebrengt en de positie van outsider hem heeft gevormd. Uiteindelijk biedt die studie hem, beseft hij, vooral de vrijheid om zijn leven in te richten. Mooie conclusie.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next