Home

‘Mijn broertje van 1,5 stierf als eerste de hongerdood. Daarna mijn moeder’

Nadjezda Dubbe-Wtscheraschnja is 100 jaar. Hoe kijkt deze in Rusland geboren ‘oorlogsbruid’ terug op de eeuw die achter haar ligt?

Nadjezda Dubbe-Wtscheraschnja is een van de vijfduizend ‘Russische oorlogsbruiden’ die na de oorlog in Nederland verzeild raakten. Als 17-jarige werd ze door de Duitse bezetter vanuit Oekraïne naar Duitsland weggevoerd voor dwangarbeid in een fabriek.

Het levensverhaal van de 100-jarige is vol haast onvoorstelbare dieptepunten en ook hoogtepunten. Van de hongersnood begin jaren dertig in Oekraïne die haar broertje en moeder het leven kostte, tot de bijna tachtig jaar die ze nu in Nederland woont. Tachtig jaar van stabiliteit en voldoende te eten, waaraan het in haar jeugd ontbrak.

De vitale eeuweling woont zelfstandig, met haar 76-jarige zoon Wasily, die zijn moeder ‘de directeur’ noemt, zij hem ‘mijn goud’. In de woonkamer hangt een geschilderd portret van haar vader Léonty met een zwarte bontmuts op. Hij ontfermde zich over de 7-jarige Nadjezda nadat haar moeder de hongerdood was gestorven. Maar hij liet haar ook iets doen wat ze tot op de dag van vandaag niet kan vatten.

Hoe ziet uw dagelijks leven eruit?

‘Elke ochtend om 8 uur brengt mijn zoon Wasily mij een beker warm water met citroen op bed. Daarna bakt hij appels in de oven. Dat herinnert mij aan mijn Russische jeugd. Na het ontbijt breng ik met naald en draad kleine veranderingen aan in mijn kleding, zodat ik die nog dragen kan. Uit een oude sarafan (een Russische schortjurk, red.) heb ik pas een rok gemaakt. Door de schaarste die ik heb gekend, kan ik geen kleren wegdoen.

‘Toen ik 13 juni 1945 met mijn man in Nederland aankwam, was het hier een arme tijd. Ik heb altijd alle kleren voor onze drie kinderen en die voor mezelf genaaid. En later ook de traditionele kleding voor Kalinka, het koor dat ik oprichtte met andere Russische vrouwen in Nederland. We zongen Oost-Europese volksmuziek en traden op in de Doelen en Ahoy, we hebben met André van Duin en Ted de Braak opgetreden. Ik was de solist en echt bekend.

‘Elke dag maak ik een wandeling van 1 kilometer. Bij koud weer zet ik mijn sapka op. In de middag slaap ik en ’s avonds kijk ik televisie. Door de westerse sancties tegen Rusland kan ik helaas geen Russische zenders meer ontvangen. Ik denk heel veel. Mijn hoofd zit vol herinneringen.’

Wat weet u van uw familiegeschiedenis?

‘De familie Kirilov, van de oma van mijn vaders kant, was heel rijk. In de tsarentijd bezaten ze een groot stuk land met een soort kasteel in wat nu Oekraïne is. Daar, in Kimitsy, ben ik in 1924 geboren en opgegroeid, nadat mijn ouders met mijn zus Luba vanuit de Oeral daarheen waren gereisd, op de vlucht voor een hongersnood en een sprinkhanenplaag. Ik was 13 jaar toen ik het graf van mijn overgrootouders bezocht; de hoeken van hun grafsteen waren van goud. Na de Russische Revolutie, onder Stalin, moesten de rijken hun bezittingen inleveren, velen werden gedood of tewerkgesteld. Mijn opa sloeg op de vlucht, onderweg vroor hij dood in het bos.

‘Op de lagere school werd ik geplaagd met mijn achternaam, Wtscheraschnja. Het betekent ‘van gisteren’ in het Russisch. Ik vroeg mijn vader hoe we aan die naam kwamen. Hij vertelde over de tuinman van de rijke graaf en de beroemde schrijver Lev Nikolajevitsj Tolstoj. In de tsarentijd was een tuinman een lijfeigene, en had geen naam. De dag nadat Tolstoj hem had gekocht voor twee jachthonden en een som geld, vroeg hij waar zijn tuinman was, ‘van gisteren’ zei hij, en sindsdien werd de tuinman zo genoemd.

‘Tolstoj liet hem trouwen met de minnares bij wie hij twee kinderen had verwekt – mijn opa en zijn broer – dus zo zijn wij aan die achternaam gekomen. Tolstoj liet zijn bastaardzoons studeren aan de universiteit van Odesa, waar mijn grootvader zijn vrouw leerde kennen, uit de rijke familie Kirilov. Ik speel open kaart: ik kan niet bewijzen dat mijn grootvader een zoon is van Tolstoj, maar ik weet het 95 procent zeker. Kun jij het niet uitzoeken?’

U heeft jong uw moeder verloren, begreep ik.

‘De eerste vijf jaar van mijn leven waren onbezorgd. In 1931 raakte ook mijn vader, een rijke boer, al zijn land en bezittingen kwijt, alleen ons huis mocht hij behouden. Hij zag dat veel zelfstandige boeren werden opgepakt, zijn broer werd opgehangen, en besloot te vluchten naar Mikéevka, een stad in een mijnwerkersgebied in het noordoosten van Oekraïne. Zijn vrouw en drie kinderen liet hij achter.

‘Bij ons in het zuiden brak een hongersnood uit. Onze kippen, konijnen en voorraad bieten werden gestolen, we hadden alleen brood en melk, aangelengd met water. Mijn moeder kon wat werken op een kolchoz en kreeg twee maïskolven mee naar huis – ons avondeten. Er kwamen mannen met stokken langs, die ons huis doorzochten op verstopt voedsel.

‘Toen er helemaal niets meer te eten was, ving mijn moeder ratten, muizen en kikkers – niet te eten. Op de hoek van de straat stond een huis leeg, het gezin was gevlucht en had de poes achtergelaten. Ook die aten we op. Mijn broertje van 1,5 stierf als eerste de hongerdood. Daarna mijn moeder, 7,5 jaar was ik.

‘Kort voor haar dood was ik met een tante en haar kinderen naar mijn vader gereisd. Daar kregen we een telegram van een oom uit Kimitsy. Hij schreef dat moeder was gestorven, hij en zijn vrouw zich hadden ontfermd over mijn zus Luba en ons huis werd afgebroken.

‘Mijn vader dacht dat het een valstrik was van de communisten om hem te lokken. Hij besloot mij helemaal alleen met de trein naar Kimitsy te laten reizen, om uit te zoeken of het bericht klopte. Een hele dag, nacht en nog een halve dag zat ik alleen in de trein.

‘Ik deed precies wat mijn vader mij had opgedragen: als het ochtend is, moet je op het station van Pomosjnaja uitstappen en op het perron wachten tot de trein is weggereden. Dan draai je je om en stap je in de volgende trein die eraan komt. Bij de eerste stop, stap je uit. Loop dan naar een silo waar tarwe wordt opgeslagen en wacht tot er een boer langskomt met zijn kar en paard. Vraag of hij naar Kimitsy gaat en je mee mag rijden. Ik had geen briefje bij me, moest alles onthouden.

‘Er kwam een boer die mij wilde meenemen. Liggend op zijn kar keek ik naar de donkere sterrenhemel. Bij aankomst zei mijn tante: ‘Godverdomme, ik heb Luba al en kan er niet nog een kostganger bij hebben.’ Ze was kwaad op mijn vader. Hoe had hij mij alleen op reis kunnen sturen? Dat heb ik mij later als moeder ook afgevraagd, en dat doe ik nog steeds. Die tante heeft Luba en mij met een zak uien op de trein naar onze vader gezet.

‘Mijn vader heeft daarna heel goed voor ons gezorgd, ik was stapelgek op hem. Hij gaf mij veel verantwoordelijkheid en vertrouwen en liet mij studeren voor verpleegkundige. Achteraf was zijn harde opvoeding een goede voorbereiding op wat mij nog te wachten stond.’

Wat stond u nog meer te wachten?

‘In maart 1942 kreeg ik te horen dat ik de volgende dag naar Duitsland zou worden afgevoerd. Mijn vader rende een stuk mee met de vrachtwagen. Ik zou hem pas vijftien jaar later terugzien. In Donetsk werd ik met tientallen vrouwen in een lege goederenwagon gepropt. Ik zat in het midden, op de koffer die mijn vader voor mij had gemaakt. In de hoek hoorde ik meisjes schreeuwen, ze werden verkracht door soldaten. De reis duurde twee weken. Je behoefte deed je hangend uit een geopende deur, terwijl twee vrouwen je vasthielden.

‘Ik werd tewerkgesteld in een fabriek in Bielefeld, waar veringen voor autostoelen werden gemaakt. Ostarbeiter (werknemers uit Oost-Europa, red.) als ik hadden minder rechten dan andere dwangarbeiders. De eerste drie maanden mochten we onze barak niet uit. Daarna werden we ’s avonds om 8 uur onder toezicht een half uur gelucht. Zo heb ik Sjonnie ontmoet, die later Jan bleek te heten, Jan Dubbe. West-Europese jongens die ook waren tewerkgesteld maar vrij mochten rondlopen, liepen vaak langs als wij meiden gelucht werden. Sjonnies oog viel op mij. Ik heb mij in die drie jaar dwangarbeid vaak in de nesten gewerkt, maar God heeft mij altijd geholpen, zoals ook die keer dat ik met Sjonnie buiten de fabriek aan het wandelen was toen die werd gebombardeerd.’

Heeft u na afloop van de oorlog overwogen terug te keren naar Rusland?

‘Jan zei met mij mee te gaan als ik terug wilde. Maar ik wist niet waar ik naartoe moest gaan, of mijn vader en zus nog leefden. Drie jaar later hoorde ik dat ze de oorlog hadden overleefd. Voor Jan zag ik geen toekomst in Rusland. Bovendien had hij een mooi beroep, typograaf, waarmee hij in Nederland zo aan de slag kon. Dus besloten we naar Nederland te gaan.

‘Voordat we de grens overgingen, moesten we eerst snel trouwen, anders kwam ik het land niet in. We trokken in bij Jans ouders in Haarlem. Wat ik niet wist, was dat ik toen al zwanger was. Zodra ik erachter kwam, was mijn eerste gedachte: ‘Ik hoop dat mijn kind nooit een oorlog hoeft mee te maken.’

‘Na de bevrijding heb ik tachtig gelukkige jaren gekend. Ik hou van Holland, hier voel ik mij thuis. Door de opvoeding van mijn vader en alle narigheid die ik heb doorstaan, heb ik nog steeds de kracht om door te gaan. Mijn naam Nadjezda betekent hoop.’

Liesbeth Hermans publiceerde in eigen beheer het boek ‘Nadjezda, meegesleurd op de golven van de geschiedenis’. Informatie: m.bolwijn@volkskrant.nl

Nadjezda Dubbe-Wtscheraschnja

geboren: 7 november 1924 in Kamintsy

woont: zelfstandig, in Havelterberg

familie: drie kinderen (een overleden), vijf kleinkinderen, zes achterkleinkinderen

beroep: verpleegkundige

weduwe sinds 2009

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next