Soms, op sneeuwdagen vol regen, dagen waar ze maanden als januari van maken, denk je: het ligt aan veel mensen, het ligt misschien wel aan alle anderen, maar het ligt niet aan mij. Althans: ik denk dat, soms. Het is een gedachte die zelden klopt, en waar je, zelfs als-ie toch klopt, weinig mee opschiet. Ik dacht het vroeger vaker. Vaak zat ik dan in de bibliotheek te studeren of te werken.
De Utrechtse bibliotheek was destijds gevestigd in een verouderd pand aan de Oudegracht. Overal stonden rijen met kasten vol boeken en cd’s, en het was er meestal stil, op de piepende zolen van in het vak vergrijsde bibliotheekmedewerkers na, het last-minute Binas-geblader van examenkandidaten en het gedribbel van de habitué-leden, een groep zich vals-traag voortbewegende types met door het vele lezen versleten ogen en robuuste tassen van reeds lang opgedoekte winkelketens over hun schouder, die de indruk gaven dat ze zich nooit aan hun studententijd hadden willen ontworstelen.
Over de auteur
Frank Heinen is schrijver en columnist voor de Volkskrant. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Boven hield de bieb het midden tussen een door Borges ontworpen, oneindig kennispaleis en het kantoor van een noodlijdend bijlesbedrijf. Bij die enkeling die zich niet eerbiedig zwijgend tussen de kasten door bewoog, dacht ik geërgerd: het ligt niet aan mij.
Beneden was meer leven. De tafeltjes aan de ramen boden een prachtig uitzicht op de Dom, maar ik zat er vooral om te studeren en de gebruikers van de computers te observeren. Ik herinner me de man die de hele dag op vage streams tenniswedstrijden volgde en daar geld op inzette, de dame die talloze artikelen uit de krant kopieerde en een jongen die geregeld een uur voor zich uit staarde en dan weer vertrok. Alle aanwezigen waren wat ouder, zelfs de jongeren.
In die tijd was de bibliotheek precies wat ik graag wilde dat-ie was.
Deze herinneringen dateren uit een recente geschiedenis, de schrale tijd dat het er beroerd voorstond in het bibliotheekwezen. Inmiddels maken we een revival mee: voormalig staatssecretaris Gunay Uslu introduceerde een zorgplicht (elke gemeente moet een fysieke bieb hebben, gaat in op 1 januari 2026), de koning benoemde het belang van bibliotheken in de Troonrede van 2023 en aantallen leden, uitleningen en activiteiten rijzen de pan uit. In een prachtig verhaal in NRC schreef Peter Zantingh vrijdag over drie bibliotheken die hij een jaar lang geregeld bezocht, en over de mensen die elke dag de bieb bezoeken zonder er ooit een boek te lenen. Ze ontmoeten anderen, en zijn even wat minder alleen dan ze ergens anders zouden zijn geweest.
Na de verhuizing naar het schitterende oude postkantoor vulden de gangen, de trappenhuizen en de studieruimten van de Bibliotheek Utrecht zich snel met scholieren, studenten, freelancers, taalmaatjes, filmliefhebbers, krantenlezers, administratiehulpen, oude en nieuwe vreemde vogels, pauzerende maaltijdbezorgers, ouders met kinderen, bewonderend fluisterende toeristen, passanten en de habitués van weleer, en kwam ik er weer eens achter dat een plek die voor veel mensen veel aantrekkelijker wordt, dat voor mij niet automatisch óók wordt.
Ligt dat aan die mensen? Nee. Aan mij? Mogelijk. De bibliotheek is geen plechtige, morsige plek meer waar het stil is en elke dag stiller wordt, maar een open plek die groeit en bloeit, tegen alle ontwikkelingen op cultureel-maatschappelijk gebied in. Er is volop leven, mensen lopen in en uit en er is van alles te doen. Een fysieke plek, waar alle soorten vreemden moeiteloos naast elkaar plaatsnemen, waar zich offline gemeenschappen vormen en waar je erachter kunt komen dat het ook best aan jou kan liggen, soms.
Source: Volkskrant