Home

Hoe je je op het leven kunt blijven verheugen als je ouder wordt: ‘De oude dag biedt volop genot wanneer je hem weet te gebruiken’

Het is januari, tijd voor de Vier Verrukkelijke V’s van voorpret, verheugen en verwachtingsvol vooruitkijken. Maar hoe werkt dat verheugingsmechanisme als je ouder wordt, en de toekomst kleiner?

is chef Boeken bij de Volkskrant.

Halverwege All Fours, de roman waarmee de Amerikaanse filmregisseur en schrijver Miranda July de internationale bestsellerlijsten van 2024 domineerde, komt een vrouw bij de gynaecoloog. Ze is een kunstenaar van halverwege de 40, getrouwd, moeder en verliefd op een lekker jong ding.

In de wachtkamer staart ze vol mededogen naar een vrouw van rond de 75 en probeert ze zich in haar te verplaatsen: ‘Hoe was het om nog steeds je poes naar deze praktijk te zeulen, decennia na alle voortplantingsfanfare? Ze zat op haar telefoon te scrollen, ogenschijnlijk onbekommerd over – of zich onbewust van – het feit dat ze niets meer had om naar uit te kijken, kutsgewijs.’

Zelf heeft de kunstenaar kutsgewijs nog genoeg om naar uit te kijken; met name kijkt ze uit naar seks met het lekkere jonge ding. Maar tot haar grote schrik vertelt de gynaecoloog dat ook bij háár het einde in zicht is. Althans: dat de menopauze eraan zit te komen.

Terug in haar auto slaat de kunstenaar in paniek aan het googelen en vindt ze een grafiek die het verloop van de vrouwelijke geslachtshormonen gedurende de levensloop schetst. Ze ziet hoe de hoeveelheid oestrogeen in een vrouwenlijf rond het 12de levensjaar als een raket omhoogschiet en rond het 45ste levensjaar meedogenloos de diepte in duikt.

Hoe minder oestrogeen, hoe lager het libido – en hoe minder zin in seks. In mineur belt ze haar beste vriendin en vertelt haar dat de toekomst een ‘ravijn’ is waar ze beiden binnenkort in zullen tuimelen. ‘We staan aan de rand van de afgrond’, sombert ze. ‘Doek. Einde oefening.’ Eindelijk begrijpt ze waarom haar tante en oma een einde aan hun leven maakten toen ze in de overgang kwamen; wanneer de ouderdom zich aandient, is het gedaan met de pret.

Genieten geblazen

Het is januari, het grote terugblikken zit er weer op, hoog tijd voor de vier verrukkelijke v’s van voorpret, verheugen en verwachtingsvol vooruitkijken – iets wat de mens niet alleen in januari doet trouwens, die is voortdurend bezig zich voor te bereiden op de dag van morgen en volgens de Vlaamse filosoof Gerard Bodifee ligt in dat vooruitkijken zelfs het doel, en dus de zin, van het leven.

Maar hoe werkt dat verheugingsmechanisme als je ouder wordt en de toekomst kleiner, en woorden als ‘straks’ en ‘later’ geen tintelende sensaties oproepen van nieuwe mogelijkheden en spannende wendingen, maar doffe beelden van wijkende haargrenzen, opdrogende sappen, teruglopend libido, huizen die Avondrood heten (oké, er bestaan er niet zoveel meer maar toch nog wel een paar) en, uiteindelijk, de magere ellendeling met zijn naargeestige zeis?

De handigste oplossing voor het wegvallen van toekomstperspectief is het creëren van een nieuw toekomstperspectief. Bijvoorbeeld in de vorm van een leven na de dood. Een van de grootste troeven van de christelijke religie die twee millennia geleden uit de grond werd gestampt, is het vooruitzicht op een eeuwigdurend ‘later’. ‘Wie luistert naar wat Ik zeg en Hem gelooft die Mij gezonden heeft, heeft eeuwig leven’, belooft Jezus in het Bijbelse evangelie volgens Johannes, die deze aantrekkelijke belofte van het eeuwige leven in een aantal variaties herhaalt: ‘Want God had de wereld zo lief dat Hij zijn enige Zoon heeft gegeven, opdat iedereen die in hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.’

Aanhangers van de christelijke leer geloven niet alleen dat er na de dood een later ís, ze beweren zelfs dat dat latere bestaan het tranendal hier op aarde ruimschoots overtroeft. Nergens is het leven zo mooi als in gezelschap van ‘Gods verheugde scharen’, troostte de 18de-eeuwse dichter Hubert Kornelisz Poot zich na het verlies van zijn pasgeboren dochtertje:

Daar lacht en speelt het nu zo schoon,
Rondom de hoogste troon;
En spreidt de wiekjes luchtig uit,
Door wee noch smart gestuit.
O bloem van dertien dagen,
Uw heil verbiedt ons ’t klagen.

(H.K. Poot: Op de dood van mijn dochtertje, 1733)

Het leven op aarde is volgens het christelijk geloof niets meer dan het voorspel op het echte werk, een ellendige maar noodzakelijke fase waar de mens zwoegend en ploeterend doorheen moet om zijn eeuwige leven te verdienen – want alleen een baby, mits netjes gedoopt, krijgt de eeuwigheid cadeau. Jawel, het uitzicht van de ouder wordende mens wordt misschien een tikje vergald door die beelden van Huize Avondrood en Magere Hein: maar daarna is het tot in lengte van dagen genieten geblazen! Voor christenen is de oude dag daarmee de periode waarin de mens zich het hardst mag verheugen, namelijk op een stralende toekomst in het hemelse paradijs.

Knoestig en dor

Onder de titel Met zicht op het einde bracht uitgeverij Athenaeum in 2020 een door Vincent Hunink mooi vertaalde selectie uit van de brieven die de Romeinse filosoof Lucius Annaeus Seneca in de eerste eeuw van onze jaartelling aan zijn goede vriend Lucilius schreef. Seneca was begin 60 toen hij de brieven opstelde en zou een paar jaar later overlijden – niet op natuurlijke wijze, de wrede keizer Nero, wiens leermeester hij was geweest, was zo vriendelijk Seneca de gelegenheid te bieden zelfmoord te plegen om aan executie te ontkomen.

In de jaren waarin Seneca zich tot Lucilius richtte, was Jezus reeds geboren en ook alweer gestorven, en begonnen de eerste christenen hun blijde boodschap driftig te verspreiden. Wat Seneca daarvan heeft meegekregen, is niet bekend, van een leven na de dood is in zijn stoïcijnse filosofie in elk geval geen sprake. Maar ook zonder paradijselijke vergezichten kun je je op je oude dag prima verheugen op de dingen die komen gaan.

In Mijn oude dag, de twaalfde brief die hij aan Lucilius stuurt, beschrijft Seneca hoe hij na lange tijd zijn buitenhuis bezoekt. Het ergert hem dat het pand zo vervallen is, net als de bomen in zijn tuin, waarvan de takken ‘knoestig en dor’ zijn en de stammetjes ‘zielig en armetierig’. Bij de deur zit een oud en afgeleefd mannetje, zijn tanden vallen uit. Maar het huis is ooit onder Seneca’s eigen handen opgetrokken, de bomen zijn door hemzelf geplant en het afgeleefde mannetje is verontwaardigd dat Seneca hem niet herkent: ‘U bracht altijd beeldjes voor me mee. Ik ben Philositus’ zoon, uw lievelingsslaafje!’ Seneca kan niet anders dan concluderen dat ook hijzelf oud is.

Het stemt hem niet treurig, integendeel: ‘Laten we die oude dag omhelzen en liefhebben. Hij biedt volop genot wanneer je hem weet te gebruiken. Vruchten smaken het lekkerst als ze overrijp zijn. De jeugd is het mooist als ze bijna over is. Dronkenlappen houden het meest van het laatste glas, het glas dat bedwelmt, dat de dronkenschap compleet maakt. Het heerlijkste aan elk genot wordt uitgesteld tot het laatste moment. Het heerlijkst is een leeftijd waarop de zaak al bergafwaarts gaat, maar nog niet omlaag stort.’

En ook als de boel wel omlaag stort, is er nog een genoegen om je op te verheugen, volgens Seneca, namelijk het feit dat je aan genoegens geen behoefte meer hebt: ‘Wat zalig om je begeerten te hebben uitgeput en ze achter je te laten.’

Het probleempje van de naderende dood dan? Dat is, zegt Seneca, ten eerste niet exclusief iets van ouderen, ‘want we worden niet opgeroepen volgens het geboorteregister’; en ten tweede ‘is niemand zo oud dat je niet met goed fatsoen een dag erbij mag verwachten’. Je kunt je dus altijd verheugen op de dag van morgen (uiteraard is er één dag waarop die wijsheid niet opgaat, maar wanneer die dag precies valt, weten weinigen).

Ook maakt Seneca korte metten met de aanname dat het verheugingsmechanisme per definitie op de toekomst is gericht. Wie oud is en zich eens lekker wil verheugen, kan volgens Seneca juist beter naar het verleden kijken. ‘Breng jezelf voortdurend in herinnering, beste Lucilius, hoeveel je al bereikt hebt. Als je ziet hoeveel mensen al verder zijn, bedenk dan hoeveel er bij je achterliggen. Stel jezelf een grens die je niet wilt overschrijden, al zou je het kunnen. Het moet eindelijk afgelopen zijn met die verraderlijke ‘goede dingen’, die zolang je erop hoopt beter zijn dan zodra je ze verkrijgt. Als ze echt iets te betekenen hadden, raakte je er ooit een keer van vervuld.’

Omgekeerde herinnering

Om je op dingen te kunnen verheugen, moet je volgens Seneca dus vooral het geheugen aanspreken. Verheugen en geheugen horen bij elkaar, beaamt psycholoog Douwe Draaisma (71), schrijver van de bestseller Waarom het leven sneller gaat als je ouder wordt (2001).‘Je associeert het geheugen met het verleden, omdat herinneringen nu eenmaal verwijzen naar wat er achter je ligt, maar dát je een geheugen hebt, is ter wille van de toekomst. Ervaringen die schadelijk voor je zijn worden in één keer ingeprent, je onthoudt gevaarlijke situaties zodat je ze niet opnieuw zult meemaken.

‘Waar je je op verheugt, is uiteindelijk samengesteld uit herinneringen, verheugen wordt mogelijk gemaakt door herinneringen. Je zou bijna zeggen: verheugen is een soort omgekeerde herinnering. Als je een heel goede herinnering hebt aan het lezen van een bepaald boek, dan is je verheugen op een nieuw boek van diezelfde schrijver als het ware het omgekeerde daarvan, maar dan in de toekomst. Het is je geheugen dat de intensiteit van het verheugen bepaalt.’

Als de grondstof voor verheugen het geheugen is, zou je verwachten dat mensen zich naarmate ze ouder worden alleen maar méér op dingen gaan verheugen – hoe ouder iemand is, hoe meer herinneringen hij immers heeft. Maar zo werkt het nu ook weer niet, zegt Draaisma. ‘Van die herinneringen is intussen óók heel veel verdwenen. Ik zit zelf in een leesclub en als ik bedenk welk boek we twee of drie sessies geleden hebben behandeld en wat ik me daar nog van herinner, moet ik constateren dat dat bedroevend weinig is. Terwijl de boeken die ik op mijn 15de of 20ste las me nog betrekkelijk helder voor de geest staan.’

Een paar uitzonderingen daargelaten is het verheuggevoel het grootst tijdens de kindertijd. Draaisma: ‘Zoals je je als kind kunt verheugen op een schoolreisje of een verjaardagsfeest of Sinterklaas: dat komt nooit meer terug. Het gaat dan om dingen die je nog niet zo heel veel hebt meegemaakt, maar waarvan je wél al een idee hebt – en daarvoor heb je kennis en herinneringen en dergelijke nodig.

‘Als een kind zich verheugt op een sinterklaasavond, gaat het daar ook helemaal in op. Dat het verheugen zo volledig je bewustzijn vult, waardoor je ook niet kunt slapen ’s avonds, dat is typisch iets voor kinderen, denk ik. En het is een van de meest intense manieren van verheugen die je je kunt voorstellen.’

De traagheid van de tijd

In tegenstelling tot het geheugen is het verheugen in de psychologie geen groot onderwerp. ‘Ik ben althans niet veel onderzoek tegengekomen’, zegt Draaisma. ‘Maar sommige geheugenwetten gelden ook voor de toekomst. Een voorbeeld is het telescopie-effect. Gebeurtenissen die veel indruk maken, zoals onverwachte overlijdens of een crisissituatie in de familie, worden terugkijkend als dichterbij in de tijd geschat dan ze in werkelijkheid waren. Dat effect geldt ook voor de toekomende tijd. Als er iets is waar je erg naar uitziet, duurt het subjectief langer voor het zover is.’

In Waarom het leven sneller gaat als je ouder wordt citeert Draaisma de Franse schrijver Marcel Proust, die de verteller in een passage in zijn romancyclus Op zoek naar de verloren tijd laat wachten op een afgesproken etentje met de door hem begeerde Mme de Stermaria en al wachtend mijmert over de traagheid van de tijd: ‘De dagen die aan mijn etentje met Mme de Stermaria voorafgingen waren niet zoet, maar ondraaglijk voor me. Hoe korter namelijk de tijd is die je nog scheidt van wat je voorstelt te gaan doen, des te langer lijkt hij meestal, omdat je een kortere tijdmaat aanlegt, of gewoon omdat je eraan denkt hem te meten.’

Ook kent de psychologie een naam voor het vermogen om je ‘de toekomst te herinneren’, dus te bedenken wat je op termijn moet doen. Draaisma: ‘Dat heet het prospectieve geheugen, het vooruitkijkende geheugen. ‘Ik moet een half uur voor het eten mijn medicijnen innemen’, of ‘ik moet strakjes niet vergeten om…’. zijn typisch dingen die onder het prospectief geheugen vallen. Dat type geheugen gaat heel erg achteruit als je ouder wordt. Ouderen proberen het op te lossen door dingen ofwel meteen te doen, ofwel een soort reminder te organiseren; je bedenkt dat je vanavond, als je naar vrienden toe gaat, een boek moet teruggeven en stopt het dus alvast in je tas. Vaak zit dat boek daar als je thuiskomt nog steeds in – want je hebt niet onthouden dat je in je tas moest kijken.’

Maar dat is iets anders dan het vermogen je op dingen te verheugen in de betekenis die Van Dale eraan geeft: ‘Bij voorbaat vreugde beleven aan iets prettigs dat men verwacht’. Dat vermogen gaat helemaal niet heel erg achteruit als je ouder wordt. Als Miranda July haar hoofdpersoon geen grafiek naar oestrogeen bij elkaar had laten googelen maar naar verheugvermogen, had ze een piek in de vroege jeugd gezien, maar geen daling bij het bereiken van de middelbare leeftijd, en zeker geen ravijn.

Zeker, de hoeveelheid toekomst wordt minder naarmate je ouder wordt; maar dat betekent niet automatisch dat ook de kracht van het verheugen afneemt. Douwe Draaisma: ‘Zulke dingen zijn vaak even lang als breed. Het perspectief wordt korter, maar dat betekent ook dat het belangrijker is goed te genieten van wat je nog wel kunt doen. Een vakantie is aan de ene kant de zoveelste die je meemaakt, aan de andere kant kun je denken: over vijf jaar kan het misschien niet meer. En dus kun je je er intenser op verheugen.’

De kunst van het verheugen speelt in het geluksgevoel een belangrijke rol, denkt Draaisma: ‘Als je iemand moed wilt inpraten of wilt troosten met iets, dan doe je dat vaak met verwijzingen naar leuke dingen die je nog kunt doen, dingen die komen, die je nog kunt meemaken. Je belooft: we gaan gauw eens naar de film, of op vakantie. Troost en bemoediging ontleen je vaak aan wat er nog komt.’

Gelukkige fase

‘De vaak gehoorde bewering dat vroeger alles beter was dan nu, en vooral dat alles tegenwoordig veel slechter is dan vroeger, berust geloof ik op een misverstand’, sprak slavist Karel van het Reve op 28 februari 1980 in een column voor Radio Wereldomroep. ‘Naarmate je ouder wordt, wordt je leven minder leuk. En daarom ben je geneigd te denken dat alles minder leuk wordt.’

Het is het heersende beeld: het leven wordt er naarmate je ouder wordt niet leuker op. En dan kan het best zo wezen dat de intensiteit van het verheugen in de loop der jaren niet afneemt; maar naarmate het leven minder leuk is, zijn er toch domweg minder dingen om je op te verheugen?

Ook dat beeld blijkt niet te kloppen. Onder de titel Geluk op Leeftijd liet de vorige maand overleden geluksonderzoeker Ruut Veenhoven in het tijdschrift Geron in 2006 een aantal All Fours-achtige grafieken zien waarop het verband tussen levenstevredenheid en leeftijd was weergegeven. De lijn vertoonde een daling rond het 30ste- en een opmerkelijke stijging rond het 60ste levensjaar.

‘Dat doet vermoeden dat men de arbeid goed kan missen’, schreef Veenhoven (die zelf overigens tot op hoge leeftijd lekker bleef doorwerken). ‘Gedurende de oude dag blijft de levenstevredenheid hoog; hoger in ieder geval dan onder jongvolwassenen. De levenstevredenheid onder hoogbejaarden is zelfs hoger dan die onder 18-jarigen.’ Op het allerlaatste stukje na is de ouderdom een gelukkige fase, aldus Veenhoven.

Wat leidt tot de vrolijk stemmende conclusie dat een mens zich naarmate hij ouder wordt steeds méér op het leven kan verheugen. Het woord is aan Vasalis:

Het enige dat oud lijkt is dit ogenblik
want het verleden – ik – is jonger, jong.
De toekomst die mij niet meer toekomt
is wonderbaarlijk vers en licht
en straalt en dampt van jeugd. Als in de zomer –
ochtend vroeg de zee.

(M. Vasalis, opgenomen in de bloemlezing Maar geen bestemming – Gedichten over de oude dag. PoëzieCentrum, november 2024)

Gelukkig nieuwjaar!

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next