Home

Tv-maker Nicolaas Veul: ‘Thuis was ik ‘een watje’, op school ‘die homo’. Dat heeft lang zijn sporen nagelaten’

Voor zijn nieuwe tv-serie bracht presentator Nicolaas Veul honderd dagen door in de jeugdzorg. Zelf heeft hij ook lang geworsteld met zijn opvoeding. Zodanig zelfs dat hij het contact met zijn ouders verbrak. ‘Het gif moest uit mijn lijf.’

is tv-maker, schrijver en journalist. Voor Volkskrant Magazine interviewt ze bekendere Nederlanders.

‘Als ik één ding heb geleerd in het leven, is het dat het niet iedere bloem is gegeven om te bloeien’, klinkt de stem van de 40-jarige Nicolaas Veul in de voice-over van Een valse start: 100 dagen in de jeugd- en gezinszorg. ‘Zo is het ook met opgroeien. Niet elk kind krijgt wat het nodig heeft. En ik kan het weten. Ik heb lang geworsteld met mijn eigen opvoeding.’

Na 100 dagen voor de klas (waarvoor de makers een eervolle vermelding voor de Nipkowschijf 2020 kregen), 100 dagen in een psychiatrische kliniek en 100 dagen in een vergeten Haagse wijk stage te hebben gelopen, werkte de VPRO-presentator voor zijn nieuwste serie in een jeugdzorginstelling. Daar was hij begeleider van een groep met kinderen van rond de 12 jaar. Ditmaal deed hij het in zijn eentje. Zijn collega Tim den Besten, met wie hij de eerdere 100-dagen-series maakte, net als eerdere programma’s als Beestieboys, Super Stream Me en Oudtopia, gaf in de laatste 100-dagen-reeks aan klaar te zijn met het format. Niet veel later werden er drie aangiften tegen Den Besten gedaan – hij zou op de homodatingapp Grindr de identiteit van drie mannen hebben misbruikt – en werd bekend dat hij aan een zeldzame vorm van kanker leed, waarna hij volledig uit beeld verdween.

Hoe is dat voor jou geweest?

‘Ik vind het moeilijk om daarover te praten, want ik heb Tim al lang niet meer gesproken. Hij heeft zich helemaal teruggetrokken. En dat respecteer ik. Maar natuurlijk is het verwarrend, bizar, alle emoties komen voorbij. Hoe het nu met het onderzoek staat, weet ik niet. Ik kan alleen zeggen dat zijn ziekte natuurlijk verschrikkelijk is, echt verschrikkelijk.

‘Het vergde wel een iets andere aanpak om deze serie alleen te doen’, vertelt Veul in zijn Amsterdamse appartement, waar hij samen met zijn vriend Monte en hun 9 maanden oude zoontje woont. ‘Je wil mij niet in elke scène zien, dus de hulpverleners hebben een grotere rol gekregen.’

Wat zijn dierbare momenten die je tijdens je stage hebt beleefd?

‘Die kinderen emotioneren me sowieso heel erg. Soms betrapte ik mezelf op de gedachte dat de instelling net een soort bungalowpark was waar al die kinderen gezellig met elkaar samenwonen of op schoolreisje waren. Want het is niet alleen zwaarte wat zich daar aandient. Maar juist op gemoedelijke momenten daalde ineens het besef bij me in: ze zijn helemaal niet thuis. Er is geen schoolbus die teruggaat. Dit is waar ze wonen. Hoe gezellig het er soms ook uitzag, toch kun je overal die ene zin achter zetten: ze zijn hier niet thuis. En leven zonder ouders is als slapen in een open veld. Dat voelt voor een kind hartstikke onveilig.

‘De eerste keer dat ik een kind voor het slapengaan in bed stopte, moest ik ook bijna huilen. Ik vond het zo heftig. Ik dacht: wat kan ik jou nou bieden na alles wat je hebt meegemaakt? Slaap lekker, zei ik dan maar.’

Toch verspreek je je op een gegeven moment door de plek als ‘thuis’ te bestempelen.

‘Ja, dat was bij Scott. Hij wil zo graag niet slapen ’s nachts, want dan komen de demonen. Dus we speelden nog een potje dammen op zijn bed en ik knoopte een gesprekje met hem aan. ‘Papa is vandaag hier thuis bij je langs geweest, hoe was dat?’ Hij keek me meteen strak aan: ‘Dit is niet thuis.’ O nee, natuurlijk, stom, stom, stom.’

Wat de kinderen precies hebben meegemaakt, wordt niet verteld. Wist jij dat wel?

‘Ik weet vooral dat het emotioneel of fysiek heel onveilig voor ze is geweest, dermate dat de jeugdbescherming heeft besloten ze uit huis te plaatsen. Heel soms hebben de ouders zelf aangegeven dat ze niet meer voor hun kind kunnen zorgen. Van specifieke details zijn we weggebleven, maar je weet: veel kinderen zijn getraumatiseerd.’

Jelle belt met zijn ouders. Die zeggen: ‘Je bent alles voor ons. Je bent het liefste jongetje dat er rondloopt.’ Toch kan hij niet thuis wonen.

‘Nee, thuis is het niet veilig genoeg. Of de ouders zijn niet capabel om de zorg te geven die Jelle nodig heeft. Iedereen heeft heftige problematiek. Het is vaker onmacht dan gebrek aan liefde waarom een kind niet thuis woont.’

Scott zei met een lege blik in zijn ogen: ‘De volwassen mensen hebben dit besloten.’

‘Ja, dat is natuurlijk heftig, toen dacht ik oh my God, wat doet dit met een kind? Een van de hulpverleners zei ook: ‘Kinderen vertrekken met problematiek die ze niet hadden toen ze hier kwamen.’ Uithuisplaatsing is vaak het laatste redmiddel omdat een betere oplossing niet voorhanden is. Sommige kinderen zitten er weken, andere jaren. Jelle bijvoorbeeld, die 9 jaar is en de ontwikkeling heeft van een 4-jarig kind, hoort eigenlijk in de ggz. Maar omdat daar geen plek was, zat hij al heel lang op een crisisbed bij jeugdzorg. Hij was gestrand op een tussenstation, hij kreeg geen school, geen therapie, niks. De stationsklok stond stil en niemand wist wanneer de volgende trein zou komen.

‘Toch zie je vaak niet meteen het verdriet dat de kinderen hebben. Dat is echt iets wat ik tijdens mijn stage heb geleerd. De pijn verstopt zich vaak. Soms komt het eruit, als ze bijvoorbeeld niet kunnen slapen vanwege extreme angsten in de nacht. Of ze krijgen een woedeaanval. Maar vaak kruipt de pijn naar binnen. Wat is er niet goed aan mij?, kunnen ze gaan denken. Of: waarom ben ik de liefde niet waard?

‘Soms, als een ouder was langsgeweest, zag je dat het kind helemaal in de war was, of verdrietig, maar dan vaak over andere dingen. Dan liepen de gemoederen tussen de kinderen bijvoorbeeld ineens hoog op. Je moet als hulpverlener ook nooit direct naar het probleem vragen. Je moet een veilige plek creëren met rust, regelmaat en reinheid, waardoor dat motortje weer gaat lopen en ze het leven aankunnen.

‘En ieder kind heeft daarbij weer iets anders nodig. Mijn begeleiders leerden me bijvoorbeeld dat je Jelle het best leerde kennen via zijn fantasie. Als je rechtstreeks vroeg: Hoe voel je je? Mis je je moeder?, dan ging de deur meteen dicht. Maar als je in zijn fantasiewereld meeging, gaf hij hints hoe het met hem ging. We hielden allebei een stuk lego in de vorm van een mobiele telefoon aan ons oor en praatten met elkaar alsof we met elkaar belden. Toen vertelde hij dat hij een baby had. ‘Baby is boos!’, zei hij, ‘want die mist mij heel erg.’ Oh my God, dacht ik, je mist je ouders heel erg.’

Of hij wil heel graag gemist worden.

‘Ja, dat kan ook. Ik was er laatst weer; om de anderhalve maand ga ik er langs sinds ik mijn stage heb afgerond. Jelle was er nog steeds en vloog me om de hals. Ik vond het heel erg dat hij er nog altijd zat. Er is nog nergens een geschikte plek voor hem. Dan zie je: hier faalt het systeem. Je merkt gewoon dat hij een kind van de rekening is.’

Jij kreeg een coach die je begeleidde, Anita. Wat is de persoonlijke ontwikkeling die jij hebt doorgemaakt tijdens het draaien van deze serie?

‘Het was confronterend. Anita leerde me dat kinderen een beroep doen op je volwassenheid. Die onderzoeken: ben jij veilig? Ben je volwassen? Kan ik jou vertrouwen als het erop aankomt? Ik ben er diep van doordrongen geraakt hoe essentieel dat is en hoe praktisch de invulling kan zijn. Ik dacht dat mijn rol vooral emotioneel van aard was. Zo van: als ik nou maar naar jou luister, dan komt het allemaal goed. Als ik nou maar enorm empathisch ben, naar je kijk en je de ruimte geef, dan voel jij je gezien, en dan kan ik iets voor jou betekenen. Maar dat is heel erg mijn invulling. Of, nou ja, hoe ik zelf erg graag had gewild dat iemand het bij mij had gedaan.’

Jouw gemis.

‘Mijn gemis, en mijn verdriet. Maar dat werkt niet voor elk kind. Het risico was ook dat ik daarmee van de kinderen slachtoffers maakte. Allemaal goed en aardig, zei Anita, maar daarmee maak je die kinderen ook een beetje zielig. Terwijl die kinderen vooral grenzen en regelmaat nodig hebben, geen medelijden. Het gaat erom dat je zegt: het is nu tijd om je bed op te maken. Punt. Niet alleen maar: hoe voel je je, heb je geen zin om naar bed te gaan? Miranda, de groepscoach, zei op een gegeven moment iets heel moois, dat zit niet in de serie. Als ouder heb je de leiding. Dus stel: je loopt met een kind of een groep kinderen in een bos waar jullie op gevaar stuiten, dan zul jij als ouder naar het gevaar kijken. Maar de kinderen kijken meteen naar jou. Wat ga jij doen? Ga je twijfelen, dan worden die kinderen bang. Je moet zeggen: jongens, ik zie het gevaar, maar we gaan rechtdoor, komt goed. En dat is best moeilijk. Helder zijn, duidelijke kaders geven. Veel ouders gaan tegenwoordig op hun knieën en vragen: wat wil jij? Wat denk jij dat goed is, wat voel je?’

Mama is een beetje bang voor die beer.

‘Ja, en als mama heel bang of te emotioneel wordt, weet dat kind: het is niet veilig. Mama heeft zichzelf niet in de hand. Op een heel basaal en dierlijk niveau heeft een kind die stevigheid nodig van een ouder, en het zal van alles doen om de ouder op die volwassenheid te testen. Dat betekent dat de volwassene die rol moet pakken. Wat ik ook heb geleerd is dat je je grens niet pas moet aangeven wanneer jij bijna aan je taks zit van wat je nog kan verdragen. Want dan word je al snel emotioneel, en voelen kinderen zich onveilig. Mensen vinden grenzen aangeven vaak eng, ik ook. Dus stel je dat uit. Maar je moet bij 70 procent al een beetje gaan acteren dat je boos bent. En nu is het afgelopen! Dat was voor mij erg leerzaam. In het begin voelde ik een enorme onhandigheid om die volwassen rol te pakken.’

Het lijkt me ook een lastige balans. Je wil ook niet zoals je vader zijn, waarover je in je documentaire Pisnicht: the movie vertelde dat hij heel dominant was. Hij nam wel sterk de leiding, maar een beetje té.

‘Ja, mijn vader stuwde mij gewoon vooruit in dat bos. Hup, watje!’

Ga jij maar naar die beer, je kunt hem hebben.

‘Ja. Er zat geen veiligheid bij, geen: ik neem je bij de hand. Dus ik worstelde ermee hoe ik die rol kon pakken, want hoe doe je dat als je dat voorbeeld niet hebt gehad? Daar werd ik flink op gecoacht.’

‘Mijn vader kon me ineens van een rode piste duwen tijdens het skiën. Ik vond skiën doodeng. Hoppakee!, riep hij dan en vervolgens vloog ik naar beneden. Ik liet me vallen als een klein kind, wanhopig denkend: waarom kan ik dit niet? En dat gevoel is bij mij naar binnen gekropen. Er was veel spanning thuis, en ik had altijd het idee dat mijn ‘zijn’ daarvoor zorgde. Doordat ik niet de zoon was die ik moest zijn, hadden mijn ouders ruzie over de opvoeding. Ik was heel bang om het verkeerd te doen. Mijn vader was echt een macho, hij kon ineens woest worden en dat zette mij continu onder spanning. Ik was een gevoelige jongen en heel bang voor hem. Ik was altijd op mijn hoede: doe ik het niet goed? Wanneer zal de bom ontploffen?’

In Pisnicht: the movie reflecteerde je met je vader op je opvoeding. Wel bijzonder dat je het durfde aan te kaarten.

‘Ja. Dat was dood-, dood-, doodeng. Dat komt denk ik door die magische loyaliteit die je als kind naar je ouders hebt. Bij het idee alleen al dat ik die zou verbreken, werd ik kotsmisselijk. Je hebt het gevoel dat je ze verdriet doet met jouw werkelijkheid. Het is voor mij lang makkelijker geweest om het niet aan te kaarten. Ik heb daar veel therapie voor nodig gehad.

‘In het gesprek dat ik uiteindelijk met mijn vader had, zei hij dat hij het met de beste intenties heeft gedaan. ‘Ik wilde jou weerbaar maken’, zei hij. Hij wilde me hard maken, zoals hij dat zelf ook moest zijn. Zijn vader overleed op jonge leeftijd, en kort erna pleegde zijn moeder zelfmoord. Doordat ik nu kan zien waar het bij hem vandaan komt, heb ik er vrede mee, maar dat kon ik als kind natuurlijk niet zien.’

En je moeder?

‘Mijn moeder wilde vooral het gezin bijeenhouden, dat was haar focus. Ik werd een heel bang kind. Ik sliep slecht, ik dacht altijd dat ik vermoord zou worden door aliens of inbrekers. Altijd werd ik door iets of iemand vermoord in mijn dromen. Door het gedrag van mijn vader werd ik nog angstiger en kwetsbaarder dan ik al was. Dus dat was een catch 22, want dat bange jongetje was juist niet wat ik moest zijn. Het voelde erg als persoonlijk falen. Wat is er aan mij dat niet goed genoeg is? Waarom krijg ik niet die liefde? Er is iets mis met mij. Dat denk je niet zo concreet, maar die onderstroom komt er op andere punten uit. Ik vond mezelf bijvoorbeeld altijd dik. Ik liep krom. Ik had een slecht zelfbeeld. En dan kwam mijn homoseksualiteit er op een gegeven moment ook nog bij. Toen dacht ik: oeh, dit is het, dit is dus wat er mis met mij is. Dat vond ik heel beangstigend. Ik heb echt op mijn blote knietjes gebeden om niet homo te zijn, en ik had niet eens iets met God.

‘Ik had in die tijd ook een repeterende droom over Egbert-Jan Weeber. Ik had de film Oesters van Nam Kee gezien waarin hij speelde. In die droom keek hij mij heel lang verliefd in de ogen. Ik droomde dat de liefde me zou bevrijden, haha, dat ooit iemand me zou verlossen en zou zeggen: je mag er gewoon zijn. O, laat het in godsnaam niet waar zijn dat ik verliefd word op jongens, dacht ik als ik wakker werd. Dit kan echt niet, ik raak mijn ouders straks kwijt, ik word uitgelachen, als dit uitkomt moet ik naar het buitenland verhuizen.

‘Op de middelbare school ben ik heel veel gaan blowen. Ik had diepe existentiële stress. Dat staat me ook tegen aan de typering dat je ‘in de kast zit’. Dat klinkt bijna grappig. Nou, kom er maar uit jongen, uit die vrolijke kast. Ik las het boek Straight Jacket waarin stond, en dat vond ik heel raak, dat je te maken hebt met chronisch terugkerende vernedering als opgroeiende homo. Je bent altijd minder dan een ander. Je wordt gezien als vrouwelijk, zacht, kwetsbaar, gevoelig, allemaal geen kwalificaties van een goede man. Je bent een wandelende zwakte.

‘Ik vond die chronische stress door mijn angst voor de reacties van mensen heel zwaar. In dat boek staat: het is een van de ergste martelmethoden om iemand structureel te kleineren. Het klonk heftig, maar het gaf me een ander perspectief dan: het is enkel een grapje. Of: je moet er gewoon maar tegen kunnen. Als je de hele tijd dingen hoort als ‘vuile homo’ en ‘doe niet zo gay’, dan is dat super ingrijpend. Thuis was ik een ‘watje’, op de hockey ‘het homootje’, op de middelbare school ‘die homo’. In Hilversum werd ik achternagezeten door een groep jongens en getrapt omdat ik een wijdepijpenbroek aanhad. Ik weet ook nog goed dat ik een keer de gay moest spelen in het schooltheater. Het was een bijrol van helemaal niks, maar alle stereotypen werden mij voorgehouden: ik moest into fashion zijn, een strakke broek aan, een kort truitje, en dan lopen met dat handje en dat kontje. Ik deed wat er van me gevraagd werd, dacht: ik ga er gewoon voor. Met een boa kwam ik op, ik was een mix tussen Gerard Joling en Leco van Zadelhoff, en die hele zaal in het Gooi zat te gieren van het lachen. Daarna was ik de ster. ‘Hoe jij een homo kunt spelen, haha, zo goed! Dit klopt gewoon helemaal!’ Ik dacht: o ja, dus ik kan wel een plek hebben, de plek van de debiele buitenbeen.

‘Toen vond ik het wel fijn, er was tenminste wat ruimte voor me. Nu kan ik er soms nog boos om worden, het is idioot hoe normaal we dit vinden. ‘Gay’ is nog steeds het populairste scheldwoord op middelbare scholen. Dat heeft bij mij echt zijn sporen nagelaten. Zowel in positieve als in negatieve zin.’

Hoe bedoel je dat?

‘Er zijn twee dingen gebeurd. Eerst voelde ik me heel klein, maar vervolgens kwam er een kracht bij me naar boven, zo van: ik zal jullie allemaal eens wat laten zien. Dus dat was ook een beetje megalomaan. Ik had fantasieën dat ik de maan was. De maan was mijn hoofd. Iedereen keek naar mij en dacht: dat is Nicolaas, we hebben respect voor hem. Haha. Je zit nu in het brein van een 14-jarige, hè? Soms was ik ook een superheld, ik leefde net als Jelle, dat jongetje uit de serie met wie ik belde via legoblokjes, heel erg in een fantasiewereld. Ik ging helemaal op in videogamen en mijn superheld was Link. Link komt uit Legend of Zelda en is een outcast, een elfje dat niet echt een elfje is en daarom wordt gepest. Maar hij komt opeens in een positie waarin hij de prinses moet redden. Hij is niet per se sterk, maar hij heeft de magische goddelijke steen van moed. Dus zijn superpower is moed. Ik had toen geen idee waarom ik helemaal gek was van die figuur, maar ik had ergens opgeslagen: je moet gewoon moedig zijn. Dat heeft echt iets met me gedaan.’

Zo omschrijven je dierbaren je ook: als een heel bang persoon die tegelijkertijd angstig en moedig is.

‘Dat komt onder meer door dat gamen. Er was altijd een stem in mijn hoofd die zei: maar dit is niet je echte leven. Op mijn 16de kreeg ik ook straatvrees. Ik werd heel bang om een winkel in te gaan. Ik stelde mezelf altijd gerust met de gedachte: ik ga later wel bij mijn beste vriendin Nadia wonen, in haar tuinhuisje. Dan krijgt zij een gezin en dan ga ik schilderen of boodschappen doen. Dat was in mijn ogen het hoogst haalbare. Een bijrol.’

De Nicolaas van de middelbare school die Nadia beschreef was een totaal andere dan die jij nu schetst. Ze zei: ‘Zelfs de jongens die boven op de apenrots zaten, waren doodsbang voor Nicolaas’ scherpe tong.’

‘Ja, er zullen mensen van de middelbare school zijn die zeggen: Nicolaas was een echte kwelgeest. Er moest op een gegeven moment een andere tactiek komen. Nadat ik op de basisschool was gepest, dacht ik: dit gaat zo niet meer, en toen kwam er een ander iemand in me naar boven. Iemand die me kwam redden, eigenlijk. Een wilder en wraaklustig persoon, haha. Woedend over die vernederingen, iemand die niet meer de kaas van zijn brood wilde laten eten.

‘Ik was lang een plantje onder een stolp. Het groeide wel, maar niet omhoog, het groeide in zichzelf, in zijn eigen doorns. Maar op een gegeven moment moest de stolp eraf, het leven wilde verder en ik moest mezelf bevrijden. Dat ging met horten en stoten. Ik dook heel erg in het uitgaansleven. Met veel uitersten.’

Nadia vertelde dat ze je eens ’s ochtends vroeg met een winkelwagentje van de club naar huis heeft vervoerd omdat je starnakel dronken was. Je huis kenmerkte zich door paddenstoelen die uit je wc groeiden en een dode muis in een pindakaaspot.

‘Ja. Dat is een heftige en wilde periode geweest. Ik was 21 toen ik dankzij Nadia in therapie ben gegaan. Ik had al wel het telefoonnummer van een therapeut, want ik liep met mijn hoofd tegen de muur. Ik kon soms vijf uur lang onder de douche staan, in negatieve gedachten verzonken, en dan weer heel erg uitgaan. Ik werd steeds labieler. Tot Nadia het nummer van die therapeut intikte, me de telefoon gaf en zei dat ik nu echt moest bellen. De therapeut zei: er zit een jongen diep in het drijfzand, zelf kun je hem er niet uithalen, wij gaan dat samen doen. Dat ontroerde me zeer.

‘Ik leerde dat ik op mijn eigen benen moest gaan staan, ruimte moest maken voor mijn verdriet. Dat kon niet naast mijn ouders, ik moest dat alleen doen. Ik heb, ondersteund door mijn therapeut, mijn vader een brief geschreven met de boodschap dat ik hem voorlopig niet meer wilde zien. Ik kon naast hem niet voor mezelf opkomen. Als hij toch weer een grapje maakte over mijn homo-zijn of dat ik een watje was, voelde ik al het leven uit me wegtrekken. Met knikkende knieën heb ik de brief op de bus gedaan. Ruimte innemen als er geen ruimte voor je is geweest, is het allermoeilijkste wat er is.’

Was je ook bang voor ontkenning toen je het gesprek aanging? Zo van: stel je niet zo aan, wat haal je je allemaal in je hoofd, jongen?

‘Ja, natuurlijk. Natuurlijk! Je ouders kwetsen voelt zo tegennatuurlijk. Ik heb mijn vader uiteindelijk vier jaar niet gezien en weer tien jaar later heb ik mijn moeder ook lang niet gezien. Ik moest me ook van haar losweken. Want ik voelde me te verantwoordelijk voor haar geluk. Als ik een andere relatie met haar wil, moet ik dat nu stopzetten, mijn eigen tuintje opruimen en mijn eigen koers gaan varen, dacht ik. Ik moest eerst weten wie ik ben om weer een nieuwe band met haar te kunnen opbouwen. Maar dat is echt het moeilijkste en het verschrikkelijkste wat ik ooit heb gedaan.’

Het lijkt me heel erg eng om je ouders na een tijd weer onder ogen te komen nadat je het contact hebt verbroken.

‘Ja, heel eng, zó eng! Ik moest voordat ik het aandurfde eerst sterk genoeg zijn om te weten: dit ben ik en dit is mijn verhaal. Ik heb mijn moeder weer gezien in een restaurant in Amsterdam. Dat was heel emotioneel.’

Hoelang had je haar toen niet gezien?

‘Vier jaar of zo.’

Zo lang.

‘Ja, ik vind het nog steeds emotioneel... Want ik hou zielsveel van mijn moeder. Maar ik moest dit echt doen. Het heeft haar veel verdriet gedaan. Maar we hebben nu echt een leuke relatie. Ik heb tegenwoordig de ruimte om naast haar te gaan staan als volwassene en niet meer als kind. Zij zit ook in de serie. Er was nog een vraag die boven ons hing, namelijk: ik was een heel bang kind, dat heb jij gezien, waarom was je niet bij machte om die situatie voor mij te veranderen? Zij had dat bij nader inzien graag anders gedaan, vertelde ze, maar al haar aandacht ging naar de boel bijeenhouden.’

Kreeg je in die vier jaar via je familie weleens berichten als: je moeder gaat er bijna aan onderdoor?

‘Ja. Dat maakte me helemaal overstuur. ‘Het gaat nu om mij!’, schreeuwde ik dan. ‘Ik moet hier los van komen!’ Het gif moest uit mijn lijf en dat had tijd nodig. Maar de mensen eromheen vinden het heel moeilijk als ze horen dat je je ouders niet meer ziet. ‘Het zijn wel je ouders, hè?’, kreeg ik steeds te horen. Alsof je die stem zelf niet al de hele dag in je hoofd hebt. De hele dag! Maar dit moest gebeuren. En zowel bij mijn vader als mijn moeder voelt het voor mij nu als een verhaal dat af is. Ik heb met allebei een goede relatie.’

In de voice-over zeg je dat het belangrijk is dat er iemand is die naar je kijkt en vraagt: ‘Red je het?’ Blijft dat een onvervulde behoefte?

‘Ja. Ik moest ook heel hard huilen toen ik die zin insprak. Er zit veel verdriet in. Ik wil mezelf niet vergelijken met de kinderen in de serie, maar bij de vraag: hoe draag je je verleden met je mee, wilde ik wel iets van mezelf prijsgeven. Die zin is voor mij heel waarachtig.’

Heb je de vraag ‘red je het?’ nu nog nodig?

‘Jeetje, dat vind ik een goede vraag. Ik denk dat die vraag me altijd diep zal ontroeren. Ik zit niet voor niets te huilen in de montage. Dat er zo niet naar me is gekeken, zal me altijd blijven raken. Maar het is ook goed nu. Ik kan het dragen, dus in die zin is het afgerond.’

En nu ben je zelf vader.

‘Ja! Geweldig. Sinds negen maanden. De aanloop ernaartoe willen we graag nog voor onszelf houden.’

In de serie zeg je: ‘Als aanstaande vader wilde ik weten: hoe laat je dat plantje groeien zonder dat je je schaduw erover laat vallen?’ Wat is het antwoord?

‘Mijn coach Anita zei: probeer de lat niet te hoog te leggen. Je hoort zoveel mensen zeggen: ik doe het totaal anders dan mijn ouders, maar dan sta je nog steeds in de schaduw van je jeugd. Dat is een drijfveer die je blind kan maken voor wat het kind nodig heeft, want die gaat over jou en niet over het kind. Dat is iets wat ik echt heb meegenomen van Anita: het beter willen doen dan je ouders kan ook een valkuil zijn. In de instelling zien ze natuurlijk alleen maar ouders die zeggen: ik wil het anders doen. Wat voor mij hielp was me uitspreken tegen mijn ouders. Mijn waarheid kenbaar maken en het probleem terugleggen waar het hoort. Daardoor kun je je wrok loslaten en je verdriet voelen. Pas dan kan het plantje naar de zon groeien.’

Cv Nicolaas Veul

16 februari 1984 Geboren in Amsterdam.

2002-2006 Studie Media en Cultuur aan de UvA

2012 Tv-reportage Gay-K.

2013 Documentaire Een man weet niet wat hij mist.

2014 Documentaireserie Oudtopia.

2015 Documentaireserie Super Stream Me.

2013-2016 Jeugd-tv Beestieboys.

2017 Tv-serie De westerlingen.

2018 Tv-serie Nicolaas op oorlogspad.

2019 Documentaire Pisnicht: the movie en tv-serie 100 dagen voor de klas.

2021 Tv-serie 100 dagen in je hoofd en reportageserie Electric Avenue.

2023 Tv-serie 100 dagen in de vergeten wijk en documentaire De klimaatverkenner.

2023-heden Columnist voor Vrij Nederland.

2024 Tv-serie Een valse start: 100 dagen in de jeugd- en gezinszorg.

Nicolaas Veul woont in Amsterdam met zijn vriend en hun zoontje.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Lees hier alle artikelen over dit thema

Source: Volkskrant

Previous

Next