Het is veel ingewikkelder om hoop te hebben dan vroeger, zegt Philipp Blom. Maar zonder gaat het niet. De Duits-Nederlandse historicus, schrijver en filosoof onderzoekt het begrip in Hoop. En ontkomt daarbij niet aan (het verdwijnen van) religie.
is boekenredacteur bij de Volkskrant. Zij interviewt Nederlandse en internationale schrijvers over hun nieuwste werk.
Hoop heeft iets dwaas, het gaat, anders dan verheugen, altijd een beetje tegen de realiteit in, zegt de Duits-Nederlandse historicus, schrijver en filosoof Philipp Blom (Hamburg, 1970), wiens boek Hoop – Over een verstandige verhouding tot de wereld onlangs is verschenen.
‘Ik schrijf bijvoorbeeld over een jong verliefd stel. Ze hebben geweldige seks, goede gesprekken en ze knijpen elkaar stiekem in de handen als ze twee jonge ouders met een kinderwagen voorbij zien lopen.
‘Maar dan gaat zij toch googelen: wat is nou de kans op een gelukkige toekomst met die vent over vijftig jaar? Dan blijkt dat de grootste seks in veel langdurige relaties routine wordt en dat twee derde van alle huwelijken eindigt in een scheiding.
‘Wat overblijft, is de verveling, de dodelijke sleur, met bezoekjes aan schoonfamilie, de programma’s van de kindertjes, de verplichtingen, belastingen. Dan ziet ze ook nog de hoge cijfers van huiselijk geweld, verkrachting binnen het huwelijk en drugsgebruik of misbruik van andere verdovende middelen. En dan moet de oude dag met dementie en andere problematiek nog komen. Al met al is – als je alles bij elkaar optelt – de kans zo’n 6 procent dat je over vijftig jaar nog gelukkig samenleeft.
‘Het is natuurlijk een krankzinnig idee dat je voor 6 procent kans je kostbaarste jaren aan iemand wijdt met de grootste waarschijnlijkheid dat het niet goed uitpakt’, zegt Blom van achter zijn beeldscherm in zijn studeerkamer in Wenen.
Toch schrijft u: voor die 6 procent leven we.
‘Ja, want wat blijft er van je leven over als je steeds alleen maar zeker wilt zijn? Nooit iets durft, nooit iets riskeert? Altijd met elleboogbeschermers en helm door het leven gaat? Alleen als je ook durft te falen, ondanks alle statistieken in iets gelooft, is er een kans dat er iets positiefs en nieuws gebeurt, en kunnen er überhaupt gelukkige relaties bestaan. Misschien niet voor vijftig jaar, maar wel voor vijf jaar of voor vijf nachten. Die zijn het al waard.’
Heeft u zelf een gelukkige relatie?
‘Haha, ja, maar ik heb de vijftig jaar nog niet gehaald, we zijn nu bijna dertig jaar samen.’
In Hoop ontleedt Blom het begrip in zeven essay-achtige brieven aan een denkbeeldige student. Wat is hoop? Waarom hebben we het nodig? Waar komt het vandaan? Kun je in deze tijd nog hoop hebben? Hij zoekt het antwoord in gesprekken met vrienden uit onder andere India en Colombia, maar ook in boeken van verlichtingsdenkers als Voltaire en Denis Diderot, of moderne auteurs als de Amerikaanse filosofe Rebecca Solnit en de Israëlische schrijver Yuval Noah Harari.
Blom staat bekend om zijn scherpe analyses van onze tijd en de tijdgeest. Eerder schreef hij over de maatschappelijke, ecologische en politieke gevolgen van de klimaatcrisis in Wat op het spel staat (2017). Maar ook over wat het uitsterven van soorten en de opmars van kunstmatige intelligentie voor de toekomst van de democratie en de liberale samenleving zullen betekenen in Het grote wereldtoneel (2020).
Zijn conclusie, kort gezegd, is: de mensheid bevindt zich – vanwege de opwarming van de aarde, de dramatische achteruitgang van biodiversiteit en de gevolgen van digitalisering en kunstmatige intelligentie – in een drievoudige existentiële crisis en de toekomst is niet meer iets om naar uit te kijken, zoals dat vijftig jaar geleden nog wel het geval was. ‘Hoop is veel ingewikkelder dan vroeger. Maar toch is het nodig’, zegt Blom in vloeiend Nederlands met een licht Duits accent.
U laat een breed palet denkers voorbijkomen in uw boek. Het deed me in die zin denken aan Michael Ignatieffs boek Troost.
‘Dat zou goed kunnen, Michael woont hier in Wenen om de hoek. We zijn goede vrienden, dus onze gesprekken hebben zeker een rol gespeeld bij het schrijven.
‘Dat ik een boek over hoop heb geschreven, is voor mij eigenlijk helemaal niet vanzelfsprekend, want het zijn geen hoopvolle tijden. Maar het gebeurde zo vaak, na afloop van een lezing, dat een jong iemand me vroeg: ‘O, meneer Blom, prachtig verhaal, maar als dat allemaal klopt, valt er dan nog iets te hopen?’
‘In zo’n situatie had ik maar zo’n kleine twee minuten om iets vluchtigs te zeggen en dan verdween ik ergens in het donker. En dan dacht ik altijd: ‘Verdorie, dat is eigenlijk niet fair, iemand vraagt iets serieus en ik geef geen antwoord.’
‘Dit boek is een poging de vraag een keer serieus te nemen. Het is geen eenvoudig boek geworden, de vragen waarmee ik worstel, zijn niet simpel. Dat kan niet als je hoop serieus neemt in een objectief gezien moeilijke tijd, in een objectief gezien op vele manieren rampzalige tijd. En daarnaast natuurlijk ook nog in een seculiere tijd. Over dat laatste heb ik het ook veel met Michael gehad.’
Waarom is hoop in deze seculiere tijd ingewikkelder?
‘Hoop is een religieus idee. Een idee dat stamt uit de joods-christelijke traditie waarin het gaat om vooruitgang, de toekomst kan beter zijn dan het verleden. In veel andere culturen is dat niet zo, daar is de tijd een circulair gebeuren van geboorte tot dood, van de seizoenen, het gaat steeds door. Toekomst en het verleden zijn min of meer hetzelfde. Met het joodse idee dat er een messias zou komen die gerechtigheid zou brengen, was er een doel in de toekomst waar we naartoe konden werken: de wereld zo veranderen dat de messias zou kunnen komen. In zo’n wereld kun je dus hopen.
‘Als je religieus bent, is er automatisch een idee van zingeving, je gelooft en dan ben je onderdeel van iets. Je hebt een soort van antwoorden. Maar als je niet gelovig bent, zoals ik, is het moeilijker een idee van zin te vinden.
‘Als we over hoop praten, dan praten we eigenlijk daarover. Over een persoonlijk idee van zin, van een zin die groter is dan jijzelf, van een verhaal, een gemeenschap, iets waarmee je je kunt identificeren. Dat kan een maatschappelijk doel zijn, te maken hebben met familie of werk. Maar zonder zin is het heel moeilijk een hoopvol leven te leiden.’
U bent christelijk opgevoed door uw Nederlandse moeder toch?
‘Ja, ik ben in Detmold, in Duitsland, opgegroeid met mijn Nederlandse moeder. Zij was zelf protestants opgevoed, maar was inmiddels in de antroposofische kerk terechtgekomen. Zij was daar heel gelovig in. Als kind vond ik dat geloof prettig maar als puber ging ik andere vragen stellen. En hoe meer ik nadacht, hoe minder zin het gaf en hoe minder inzicht. En ja, op een gegeven moment kon ik het gewoon niet meer.
‘In mijn boek schrijf ik over Denis Diderot (1713-1784), die in de 18de eeuw een vergelijkbaar proces achter de rug had. Hij was zijn geloof in God verloren maar niet zijn nostalgie daarnaar. Aan de behoefte om deel te kunnen nemen aan een groter verhaal en een grotere waarheid. Hij was een van de eersten die doorhad dat mensen in het verlichtingsdenken, in het zuivere rationalisme à la Immanuel Kant (1724-1804), ook iets kwijtraakten. Dat het niet alleen maar bijgeloof, fout en belachelijk was. Dat er ook een psychologische behoefte aan een grotere zin is, aan een groter verhaal waaraan je kunt deelnemen. Die behoefte is er gewoon, dat kun je niet negeren, dat gaat niet weg, dat heeft Sigmund Freud (1856-1939) later ook laten zien.
‘Ik herken me in dat idee van Diderot: ik heb de behoefte om in een groter verhaal te geloven, in een grotere zin, maar ik weet ook dat die er niet is. Daarbuiten is geen God, geen objectieve waarheid, geen objectieve zin. Maar het laat me wel alleen met de behoefte.
‘Het is een beetje alsof je verliefd bent op iemand die niet bestaat. Dat zag Diderot en dat voel ik ook zo.’
Hoe vindt u dan toch die zin?
‘Ik vind zin in een wereld die zichzelf niet meer kapotmaakt. Ik vind zin in een wereld die minder kwaad is en die beter is. Ik vind zin in een rijk leven met andere mensen delen. Ik vind zin in kunst, ik vind zin in de schoonheid van de natuur. Ik heb geen tekort aan dingen waarin ik iets groters waarneem dan ikzelf, waar ik een onderdeel van kan zijn. Maar je moet er speels mee omgaan.
‘Ik schrijf bijvoorbeeld over een avond dat ik naar het theater ga. Dan kijk ik naar een verhaal dat betekenis geeft. Het karakter, de hele belevenis, de hele ervaring, geeft zin. Maar dat kan alleen als ik op dat moment echt geloof dat die man op het podium Othello is en niet een acteur die een paar zinnetjes in zijn hoofd heeft gestampt. Zodra het toneelstuk is afgelopen, moet ik buiten op straat staan en ook weten dat die persoon op het toneel, die net Desdemona heeft gewurgd, geen moordenaar is.
‘Voor mij komt het eigenlijk neer op twee prachtige citaten die ook in mijn boek staan. Een is van de Tsjechische schrijver en dissident, latere president, Václav Havel (1936-2011), die zich verzette tegen de Sovjetbezetters en lang in de gevangenis zat. Hij zei, vrij vertaald: ‘Hoop is niet dat je iets doet omdat je weet dat het wel goed komt. Maar hoop is dat je je voor iets inzet, onafhankelijk of het vooruitzicht op succes biedt.’ Het gaat om het proces, de weg ernaartoe, meer dan het einddoel.
‘Ik denk ook aan de marxistische politicus en filosoof Antonio Gramsci (1891-1937), die in de gevangenis zat tijdens het Italië van de fascistische dictator Mussolini. Hij was ziek en zag vanuit zijn cel dat het slecht ging met zijn land. En hij zei: alles wat blijft, is het pessimisme van de rede en het optimisme van de wil. Dat vind ik een prachtig idee.’
Havel schreef ook dat hoop betekent dat je je voor iets inzet omdat ‘het goed is’. Dan is de vraag: wat is het goede leven?
‘Ja, daar kan ik ook heel lang over praten. Maar ik vind de minimale definitie van de Amerikaanse filosoof Richard Rorty (1931-2007) over het goede leven prachtig, en dat is: Less cruelty.
‘Minder gewelddadigheid, minder wreedheid. Wreedheid is slecht in alle culturen, voor alle mensen. Dus als we een wereld kunnen bouwen waarin minder wreedheid bestaat, dan is dat al een zinvol doel.’
U schrijft dat het verlangen naar zin het antwoord is op onze doodsangst. En dat verbonden zijn en deelnemen aan een groter geheel het antwoord is op onze sterfelijkheid. ‘Dat geeft hoop en troost’, schrijft u. Maar is dat niet precies wat ontbreekt in deze tijd?
‘Ja, zeker. Voor zover ik weet is er geen God en is er nooit een God geweest. Maar religie is wel een antropologische constante. We kennen geen beschaving, geen cultuur die geen religie heeft gehad. Dat we die hele religie gewoon weg hebben gehaald – zeg maar tweehonderd jaar geleden – was een gewelddadige daad. Zoals Friedrich Nietzsche (1844-1900) zei: God is dood en wij hebben hem vermoord. En er is nog steeds geen verhaal voor religie in de plaats gekomen.
‘In onze maatschappij, in ons leven en in de 20ste eeuw hebben we geprobeerd dat hiaat met verschillende ‘-ismen’ te vullen. Fascisme, socialisme, stalinisme en noem het maar op. We weten hoe dat is afgelopen. Er is dus nog steeds een gat, een leemte of een spiritueel vacuüm in onze maatschappij van een gemeenschappelijke zin of verhaal.
‘God bestaat niet maar de behoefte aan geloven wel. Maar ik denk: het gaat niet om het verhaal zelf, maar om ons verlangen naar zin waarin we kunnen geloven. Dat verlangen zouden we zo moeten benutten dat het een kracht tot verandering kan worden.’
Wat hoopt u dat mensen na het lezen van dit boek zullen onthouden?
‘De moed om door te vragen. Doorvragen betekent dat je de realiteit niet als gevangenis accepteert omdat ‘die nu eenmaal zo is’, want in zo’n wereld is er geen hoop omdat er niets kan worden veranderd. Alleen als we doorvragen, ontstaan er nieuwe mogelijkheden, dus als we zeggen: ja, maar kan het ook anders? Is er ook een andere manier? Is de manier waarop we op die doelen afgaan wel goed? Wat wil ik eigenlijk in mijn leven? Dan kun je ook hopen.
‘Maar we leven in een wereld die – net zo sterk als vijfhonderd jaar geleden religie dat deed – ons steeds voorspiegelt ‘dat dingen nu eenmaal zo zijn’. En omdat we er zo diep in zitten, zien we dat niet en doen we de dingen niet anders. Ken je het verhaal van de twee vissen die een derde vis ontmoeten?’
Nee…
‘Nou, de derde vis zwemt voorbij en zegt tegen de twee andere vissen: ‘Is het water niet heerlijk warm vandaag?’ En hij zwemt door. Waarop de twee andere vissen zeggen: ‘Wat is water?’ Als je erin zit, als je nooit iets anders hebt gekend, dan is het heel moeilijk te herkennen. Maar als je begint te zien hoe vreemd de wereld is waarin je zwemt, dan kun je ook zien dat er misschien andere manieren zijn om je door de wereld heen te bewegen. En dan ontwikkel je de openheid om dat te zien en te horen.’
Philipp Blom is historicus, romanschrijver, journalist en vertaler. Hij studeerde in Wenen en Oxford en schrijft voor tal van Britse en Duitse kranten en tijdschriften.
Philipp Blom: Hoop – Over een verstandige verhouding tot de wereld. Uit het Duits vertaald door Wil Hansen. De Bezige Bij; 176 pagina’s; € 22,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant