In een grijsverwoeste straat in Qadam, een arme wijk in het zuiden van Damascus, zoekt een vader zijn zoons. Abdo al Hallak zag ze voor het laatst in december 2013. Mohammed – toen 26 jaar, hij zat in het verzet tegen Assad – raakte gewond door een granaatscherf. Zijn jongere broer bracht hem naar het ziekenhuis, ook een neef was mee.
Van deze drie jongemannen werd nooit meer iets vernomen. ‘Ze zijn gearresteerd’, dat begreep Abdo ervan. Al elf jaar trekt hij tevergeefs langs mortuaria, rechtbanken, inlichtingendiensten. Na de val van Assad kreeg hij krankzinnige hoop. Maar van zijn jongens is geen spoor.
Over de auteur
Ana van Es is rondreizend columnist voor de Volkskrant. Ze doet momenteel verslag vanuit Damascus. Eerder was Van Es correspondent in het Midden-Oosten.
Ruim 40 kilometer naar het noordoosten ligt de provinciestad Al Qutayfah. Bekend van een Romeinse watertunnel, een Ottomaanse moskee en nu ook van veronderstelde massagraven. Op de gemeentelijke begraafplaats is een anoniem graf gemarkeerd met doornentakken. Een braakliggend veld buiten de stad vertoont sporen van graafwerk.
Het begon in 2013 met een telefoontje, zegt oud-burgemeester Anwar Khalil. De gouverneur van Damascus, een man in de entourage van Assad die op tal van internationale sanctielijsten staat, zat met lijken waar hij vanaf moest. Of ze in Al Qutayfah, een stad ver weg van politiek verzet, omgeven door Syrische legerbasissen, misschien plek hadden voor ‘een nieuwe begraafplaats’.
Dit was geen verzoek dat je kon weigeren. Bovendien: het past in de islamitische traditie om lichamen snel te begraven. ‘We moesten het faciliteren’, zegt de oud-burgemeester. De eerste lichamen arriveerden overdag. Sommige kwamen uit ziekenhuizen, die hadden namen. De namenlijsten zijn op het gemeentehuis afgeleverd, maar Khalil weet niet waar ze inmiddels zijn gebleven, ze lijken opgeslokt door de Syrische bureaucratie.
Op de plaatselijke begraafplaats werden de eerste tientallen lichamen begraven. Burgemeester Khalil was erbij en ook een lokale tribale leider, Abdelkarim al Sheikha. Die sprak een gebed uit voor de doden. Ja, dit wil Al Sheikha benadrukken: waar het kon, heeft hij voor deze doden gebeden. ‘Ze waren moslims en zonen van Syrië. Ze verdienden een gebed.’
De lichamen die overdag arriveerden, waren naakt, herinnert hij zich. Sommige zaten ‘onder het stof’. Assad bombardeerde in die tijd hele wijken plat, misschien waren ze onder het puin gevonden. Andere lijken vertoonden sporen ‘van marteling, van honger’, die kwamen blijkbaar uit een gevangenis. Sommige stonken, die waren al langer dood.
Algauw pasten al die doden niet meer op de gewone begraafplaats. Burgemeester Khalil wees een strook land aan vlakbij een legerbasis. De volgende lichamen, misschien waren dat er wel 150, kwamen ’s nachts in een speciale koelwagen. ‘De lichamen die in de nacht werden gebracht, hadden geen namen, alleen een nummer.’
Deze lichamen waren verpakt in lijkzakken. Je kon niet zien hoe ze er aan toe waren. Al Sheikha, die een gebed uitsprak toen een bulldozer de lichamen in een greppel schoof, herinnert zich dat op sommige lijkzakken een opschrift stond van ‘de politie van Qadam’, je weet wel, de opstandige wijk in Damascus. Dat betekent dat deze lichamen mogelijk een relatie hadden met Qadam.
Hier eindigt het ooggetuigenverslag. Na die eerste nachtelijke begrafenis hebben beide mannen niets meer gezien. Maar van een chauffeur op de koelwagen hoorde de burgemeester: in het geheim gaan de begrafenissen door. Bijna twee jaar lang, tot eind 2014, arriveerde bijna elke week ’s nachts een koelwagen met lijken op het veld buiten de stad. ‘De volgende ochtend hoorde ik dan op het gemeentehuis dat daar weer een begrafenis was geweest.’
Nu gaat het verhaal de wereld over dat in Al Qutayfah wel honderdduizend lichamen zouden liggen. ‘Honderdduizend, dat is te veel, daar ga je nooit aan komen’, zegt Khalil. Het is een manier om te benadrukken hoe erg het is. ‘We konden hier nooit over praten. Maar nu hoeven we niet meer te zwijgen.’
Tussen het puin van Qadam, Damascus, vertellen buren dat ook lijken zijn gedumpt in plaatselijke waterputten. De lichamen zijn overal. Met tranen in de ogen trekt Abdo al Hallak een conclusie. Gevangenen die na de val van Assad levend zijn teruggevonden, waren hooguit een paar jaar vermist. ‘Geen elf jaar, zoals mijn zoons.’