Ze houden elkaar medeverantwoordelijk voor de daklozenproblematiek in Rotterdam. Pauluskerk-predikant Martijn van Leerdam laakt het beleid waaronder dakloze mensen kwamen te overlijden. Leefbaar-wethouder Ronald Buijt stelt dat de Pauluskerk juist voor problemen zorgt. De Volkskrant bracht hen in gesprek.
is regioverslaggever van de Volkskrant in de provincie Zuid-Holland.
Met een kritische blik inspecteert Martijn van Leerdam, de predikant-directeur van de Rotterdamse Pauluskerk, de slaapzaal van de daklozenopvang specifiek voor EU-migranten. Zestig bedden, op een meter afstand van elkaar, staan in een fel verlichte ruimte. Er hangt een geur van ongewassen lichamen. ‘Tja, het is beter dan buiten’, zegt Van Leerdam zuinigjes. ‘Maar ik zou hier toch niet echt lekker slapen.’
‘Het is geen viersterrenhotel, nee’, zegt Ronald Buijt, de zorgwethouder namens Leefbaar Rotterdam. Hij is tevreden over de tijdelijke opvanglocatie die sinds juni open is. En zo armzalig is het volgens hem nou ook weer niet. Hij wijst naar de kluisjes. ‘Daarmee wordt de kans op diefstal aanzienlijk kleiner.’
Van Leerdam en Buijt staan bekend als elkaars critici. Van Leerdam verwijt de wethouder een hardvochtig beleid en hield hem zelfs medeverantwoordelijk voor het overlijden van enkele daklozen in de straten van Rotterdam. Buijt vindt op zijn beurt dat de predikant-directeur te weinig doet om de overlast in en rondom de Pauluskerk te beperken.
De Volkskrant nodigde beide Rotterdammers uit voor een gesprek. Zojuist hebben Van Leerdam – rood-witte sjaal, licht gebogen schouders – en Buijt – lange zwarte jas, halflang haar in een scheiding – elkaar enigszins minzaam de hand geschud.
‘Dag Ronald.’
‘Dag Martijn.’
Op voorspraak van Buijt vindt het gesprek plaats in de door hem opgezette opvang. De wethouder zit niet stil, wil hij maar zeggen. Van alle buitenslapers in Rotterdam (het aantal fluctueert van 170 tot 270) is ongeveer twee derde afkomstig uit Oost-Europa. Zij krijgen niet zomaar toegang tot de reguliere opvang: daarvoor moeten EU-arbeidsmigranten onder meer langer dan vijf jaar in Nederland verblijven.
Een deel van de dakloze Oost-Europeanen is er slecht aan toe. Dat merken Rotterdammers: drugsgebruik, ontlasting in portieken en prostitutie zijn steeds meer onderdeel van het straatbeeld geworden.
In de tijdelijke opvang – een experiment voor één jaar – is het doel om EU-migranten binnen zes tot acht weken opnieuw aan een baan te helpen of te laten terugkeren naar hun land van herkomst. Daarvoor moeten sommigen eerst afkicken. Er is een detoxruimte, beneden in de woonkamer staat de Poolse televisie aan en één keer in de week is er bingo.
Dat Rotterdam als eerste gemeente een gerichte opvang voor dakloze EU-migranten aankondigde, kwam voor velen als een verrassing. De gemeente staat niet bekend om zijn zachtzinnige omgang met dakloze mensen.
Eerder zei wethouder Buijt tegen de Volkskrant dat hij overlastgevende daklozen voornamelijk wilde aanpakken door het uitdelen van boetes. ‘Desnoods ze in twee weken tijd zes boetes geven. We zitten ze op de nek.’ Bij zes serieuze overtredingen (voor overlast op straat of winkeldiefstal) in één jaar kunnen EU-burgers worden uitgezet. Rechters oordeelden in eerdere zaken dat daarmee voldoende wordt aangetoond dat zij niet in hun eigen onderhoud kunnen voorzien, een van de eisen om in Nederland te mogen verblijven.
‘We hebben te maken met een politiek krachtenveld waarbij een deel het vooral in de repressie zoekt en een ander deel vooral zorg wil verlenen’, zegt Buijt. ‘Als bestuurder moet je dan bekijken: wat is maximaal mogelijk?’ Volgens hem is dit een ‘faire aanpak waar iedereen zich in kan vinden’.
De tijdelijke opvang is vooralsnog een succes, vindt hij. Uit de meest recente cijfers blijkt dat van de 83 EU-migranten die binnen zijn geweest, er 32 opnieuw aan een baan zijn geholpen en 12 zijn teruggekeerd naar hun thuisland. ‘Meer dan de helft heeft het traject dus positief afgesloten’, zegt de wethouder tevreden.
Maar de andere helft slaagde dus níét in de opvang, merkt Van Leerdam op. Hij vindt het ‘frustrerend’ dat hij die 39 dakloze mensen gewoon weer in zijn Pauluskerk aantreft. Volgens hem zijn zes tot acht weken ‘voor veel mensen te weinig’. ‘Als je gisteren dakloos bent geworden, kan zo’n korte klap zinnig zijn. Maar voor doorgewinterde daklozen die al langer op straat leven is een oplapvoorziening van twee maanden echt te kort. Dan is er meer tijd nodig om structuur op te bouwen en weer aan het gewone leven te wennen.’
Toch wil Van Leerdam de wethouder best een complimentje geven. ‘Je hebt je nek hiervoor uitgestoken. Ere wie ere toekomt. Dit is een stapje in de goede richting.’ Van Leerdam vraagt zich af waarom hij niet doorzet en een permanente opvang regelt voor álle dakloze mensen. ‘Daarmee haal je in één klap die mensen van straat. Daarmee toon je je barmhartig en is ook de overlast weg. Hup, opgelost.’
Het zou volgens hem zelfs levens kunnen redden. Begin 2024 kwamen in Rotterdam in korte tijd drie dakloze mannen om het leven op straat: ze kwamen uit Hongarije, Letland en Suriname. De politie stelde geen misdrijven vast. Van Leerdam legde een direct verband tussen het overlijden van de daklozen en het beleid van de gemeente, dat in zijn ogen te hoge eisen stelt aan toegang tot de opvang, waardoor mensen op straat moeten leven. Op X sprak Van Leerdam Buijt aan met de tekst: ‘Drie dakloze dertigers is een onmiskenbaar patroon.’ Ook sprak hij van ‘humanitaire misstanden’.
Het schoot bij Leefbaar Rotterdam in het verkeerde keelgat. Ook nu nog. ‘Alsof die overlijdens persoonlijk míjn fout waren’, zegt Buijt. Hij begint sneller te praten, met stemverheffing. ‘Daar heb ik Martijn ook op aangesproken. Alsof ik ’s ochtends wakker word en denk’ – hij klapt in zijn handen – ‘wie zal er vannacht weer eens als gevolg van mijn beleid zijn overleden?’
Van Leerdam: ‘Ik snap dat je dat vervelend vond. En tóch kan beleid soms onbedoelde gevolgen hebben. De keuzes die jij maakt hebben gevolgen voor echte mensen op straat.’
Buijt: ‘Als je zo gaat redeneren, wil ik je graag even onderbreken. De mensen die in jouw Pauluskerk liefdevol worden opgevangen, maar buiten met elkaar in gevecht raken, Rotterdammers bestelen en boa’s aanvallen – daar geef ik jou toch ook niet de schuld van? Ook al vind ik dat je meer verantwoordelijkheid moet nemen.’
Van Leerdam: ‘Ik ben verantwoordelijk voor wat er in de Pauluskerk gebeurt. Wat daarbuiten plaatsvindt, daar zijn de gemeenteraad en het college verantwoordelijk voor.’
Buijt doet alsof hij het niet hoort. ‘Martijn weet vaak helemaal niet waar hij het over heeft. In een van de overlijdensgevallen ging het om een man die pas enkele dagen in Rotterdam was. En in een andere zaak was sprake van een zorgmijder.’ Hij kijkt Van Leerdam even in de ogen. ‘Dan vind ik het slecht dat jij zomaar iets begint te roepen.’
De predikant is even stil. ‘Ik wil best mijn verontschuldigingen aanbieden als ik onterecht zo’n zaak in jouw schoenen heb geschoven’, klinkt het schuldbewust. ‘Excuses, Ronald.’ Weer een korte stilte, dan hervat hij: ‘Maar het is toch niet normaal wat er gebeurt? Twintig jaar geleden was er bijna niemand meer dakloos in Rotterdam. Officieel waren er nog zestien buitenslapers. En kijk naar de situatie nu.’
Buijt: ‘Er is wel wat veranderd, hè. In 2007 zijn Bulgarije en Roemenië tot de EU toegetreden.’ Volgens Buijt zien we daar nu ook de keerzijde van. ‘We hebben in Europa vrij verkeer van mensen en goederen. Dat is een groot goed. Maar dat betekent niet dat we ook vrij verkeer van uitkeringen hebben. Wij mogen in de winter best op vakantie naar de Algarve, maar dat houdt niet in dat wij ook van Portugal mogen verlangen dat ze voor ons onderdak betalen.’
Hij denkt dat een permanente opvang zal leiden tot een toestroom van dakloze migranten uit heel Europa. ‘Dan weet iedereen: je moet naar Rotterdam.’
Van Leerdam: ‘Dat argument van de aanzuigende werking is een soort Sinterklaas. Het spreekt tot de verbeelding en mensen willen er dolgraag in geloven, maar niemand kan het bewijzen.’
Buijt: ‘Je kan toch logisch nadenken? Stel je voor dat Rotterdam als enige van de G4-steden een permanente winteropvang heeft. Dan hoef je geen raketgeleerde te zijn om te begrijpen dat de kans groot is dat er veel mensen naar Rotterdam zullen komen.’
Van Leerdam: ‘Er is niks wat je tegenhoudt om even met je collega’s uit Amsterdam, Utrecht en Den Haag om tafel te gaan. Misschien hebben zij er ook wel oren naar om tegelijk een permanente opvang op te starten. Toevallig ken ik je collega uit Amsterdam.’
Buijt: ‘Je hebt het nu over meneer Rutger Groot Wassink?’
Van Leerdam: ‘Het zou zomaar kunnen dat hij daar belangstelling voor heeft.’
Buijt, niet erg enthousiast: ‘Dat zou zomaar kunnen, ja. Maar dat vergt ook politiek draagvlak in deze stad. Ikzelf zou in ieder geval niet het initiatief nemen.’
Van Leerdam: ‘Dan komen we nooit uit deze situatie. Terwijl de druk op onze voorzieningen onverminderd groot blijft.’
Buijt is minder pessimistisch. Hij ziet wel degelijk een dalende trend in het aantal buitenslapers in Rotterdam. Vorig jaar januari sliepen er ruim 240 mensen op straat, dat zullen er nu zeker minder zijn, verzekert de wethouder. Al kan hij nog geen nieuwe cijfers overleggen, die wil hij eerst delen met de gemeenteraad.
Een hardnekkig probleem is volgens Buijt dat de instroom óók hoog is. ‘Van mensen die onder valse voorwendselen hierheen zijn gehaald en op straat terechtkomen. Die uitzendbureaus moeten worden aangepakt. Maar er zijn ook mensen die in Boekarest of Warschau al aan de onderkant van de samenleving zaten, en hier vervolgens op de bonnefooi naartoe komen. Omdat het leven hier op straat nog beter is dan daar.’
Van Leerdam: ‘Ik herken dat slechts in enkele gevallen. Van onze 150 vaste bezoekers zijn dat er misschien twintig. De rest komt hier om te werken.’ Volgens hem zit het grootste probleem in de doorstroom. ‘Wij vangen in Rotterdam zo’n 2.555 dakloze mensen op, bleek uit recente CBS-cijfers. Goed dat we onze verantwoordelijkheid nemen. Maar je kan ook de conclusie trekken dat we ze te lang vasthouden.’
Buijt: ‘Daar heeft Martijn wel gelijk in. We streven ernaar om mensen binnen drie maanden een huis aan te bieden. Alleen: het aantal beschikbare woningen staat gigantisch onder druk. Dat komt ook doordat we een enórme taakstelling aan statushouders hebben. Het hele systeem zit muurvast.’
Van Leerdam: ‘Ik ben het ermee eens dat sommige problemen je macht te boven gaan. Maar daar komen de mensen op straat onder te lijden. Daarom is het goed dat deze opvang er nu is.’ Wel maakt hij zich zorgen. ‘Deze opvang is voor één jaar geregeld. We weten dat er in 2026 enorme bezuinigingen op het gemeentefonds komen. Staat deze opvang er volgend jaar nog?’
Buijt: ‘Dat durf ik niet te zeggen. We gaan de komende maanden de balans opmaken. Dit is niet goedkoop: het kost echt wel een aantal miljoenen per jaar. Maar het mag duidelijk zijn dat ik mijn best ga doen om dit voort te zetten. Omdat de cijfers mij hoop geven dat we op de goede weg zijn.’
Van Leerdam: ‘Ik ben blij om te horen dat je dat zegt.’ Van Leerdam kijkt Buijt even vriendelijk aan. ‘We zijn het niet altijd met elkaar eens, maar we zijn bondgenoten in deze strijd.’ Buijt knikt instemmend.
Van Leerdam ziet zijn kans schoon. ‘Zeg Ronald, ik hoor dat jij een aardige badmintonner bent.’
Buijt kijkt verrast op. ‘Van wie heb je dat nou weer gehoord? Nou, uhm, dat is al wel een aantal jaar geleden.’
‘Misschien kunnen we eens een potje doen?’
‘Nou, wie weet’, mompelt Buijt.
Voor een potje badminton is het wellicht nog iets te vroeg. Maar enkele Oost-Europese daklozen zien wel hoe ze samen – gebroederlijk bijna – de opvang uit lopen. Met een plichtmatige, maar niet onhartelijke handdruk nemen ze afscheid, de wethouder en de predikant.
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant