Home

Deze Palestijnse onderhandelaar blijft geloven in vrede: ‘De behoefte aan een normaal leven is heel krachtig’

De Palestijnse filosoof Sari Nusseibeh, die zijn leven lang voor vrede heeft geijverd, gelooft nog steeds in wonderen: een oplossing voor het conflict tussen Israël en de Palestijnen. ‘Geen enkel conflict duurt eeuwig.’

is buitenlandredacteur van de Volkskrant. Ze schrijft over Israël, het Midden-Oosten en België. Voor dit interview reisde ze naar Oost-Jeruzalem.

Er is een winkeltje in Oost-Jeruzalem waar ze hele goede koffiebonen hebben. Dat weet iedere Palestijn in de stad, en dus is het daar dagelijks dringen voor de toonbank: allemaal Arabieren die met elkaar staan te kletsen over de kinderen, de oorlog, de auto of het weer.

‘Toen ik daar eerder deze week was’, vertelt de vooraanstaande Palestijnse filosoof Sari Nusseibeh, terwijl hij een sigaret opsteekt in zijn kantoortje, ‘zwaaide de deur plotseling open en liep een blonde man in korte broek naar binnen, die keihard in het Hebreeuws ‘GOEDEMORGEN, ALLES GOED?’ riep. Ik verwachtte dat er een pijnlijke stilte zou vallen. Dat mensen achterdochtig zouden zijn of het op zijn minst ongemakkelijk zouden vinden dat die Israëliër zomaar tussen hen in ging staan. Maar de man kreeg gewoon in het Hebreeuws antwoord, ‘Goedemorgen meneer’, en daarna kletste iedereen rustig verder. Niemand vond het vreemd, die Israëliër kwam daar blijkbaar vaker. Hij hoorde er gewoon bij.’

Het is een kleine gebeurtenis, maar Nusseibeh zegt dat hij er hoop uit put. Want zelfs bij deze man, die met zijn goede contacten onder zowel Palestijnse als Israëlische politici en intellectuelen altijd heeft geijverd voor vrede, en die als adviseur van PLO-leider Yasser Arafat nauw betrokken was bij de voorbereiding van de Oslo-akkoorden die begin jaren negentig werden getekend, zonk de moed het afgelopen jaar in de schoenen. ‘Ik heb altijd geloofd dat er aan beide zijden genoeg gezond verstand was om de onderhandelingen voor een Palestijnse staat op een dag weer te kunnen oppakken’, vertelt hij. ‘Maar na de aanval van Hamas en de oorlog in Gaza die daarop volgde, werd ik somber over de perspectieven.’

Waarom hij nu toch weer licht ziet? ‘Dat is heel simpel’, zegt Nusseibeh glimlachend. ‘Ik ben heel naïef. Ik geloof nog steeds in wonderen.’

Nusseibeh (74) is een jaar jonger dan de staat Israël, en het verloop van zijn leven is volledig vervlochten met het lot van het Joodse land en dat van zijn eigen volk. Als telg van een voorname Arabische familie groeide hij op aan de rand van het ‘niemandsland’, de strook grond die het westelijke deel van Jeruzalem (dat sinds 1948 deel uitmaakt van Israël) scheidde van het oostelijke deel (dat toen nog in handen was van de Jordaniërs). ‘Ik kon de joods-orthodoxe wijk Mea Sharim vanuit mijn huis zien liggen’, vertelt Nusseibeh, ‘maar had nog nooit een Israëliër gesproken. Ik hoorde veel verhalen over hen, over die geheimzinnige, onbekende vijand, en was razend nieuwsgierig naar wie zij echt waren.’

Toen Israël in 1967 zegevierde in de Zesdaagse Oorlog, toog Nusseibeh dan ook opgewonden naar huis. Hij studeerde op dat moment filosofie aan Christ Church, een prestigieuze faculteit aan de Universiteit van Oxford, en verheugde zich erop de vijand eindelijk te leren kennen. Arabisch land was door Israël veroverd en daarmee was de fysieke grens tussen de twee volken weggevallen. De jonge student hoopte dat dit een unieke kans was om uiteindelijk één staat te vormen; een land waarin Israëliërs en Palestijnen als gelijken konden samenleven.’

Nusseibeh, met jonge ogen onder een dikke witte haardos, kiest zijn woorden zorgvuldig als hij vertelt over deze tijd. Zijn zucht naar contact bracht hem die zomer bij een Israëlische archeologische opgraving in Jeruzalem, waar Israëlische academici hem aanboden met hen mee te werken. Een volgende zomer bracht Nusseibeh door op een Israëlische kibboets. ‘Ik was onder de indruk’, vertelt hij. ‘De levenslust van de Israëliërs raakte me, evenals hun seculiere, op socialistische leest geschoeide levensstijl. De manier waarop de Israëlische regering voor haar volk zorgde en de eenvoudige manier waarop hun leiders leefden, daar konden wij, Palestijnen, nog iets van leren.’

Maar aan geen van beide zijden wilde men iets samen opbouwen?

‘Nee, dat was een teleurstelling. Het was nog steeds ‘wij of zij’. En dus ging ik me inzetten voor het meest realistische alternatief: een onafhankelijke Palestijnse staat.’

In de jaren tachtig, toen de PLO (een samenwerkingsverband van allerlei seculiere Palestijnse organisaties) nog als terroristische beweging werd beschouwd, legde Nusseibeh als eerste prominente Palestijn contact met rechtse Israëlische politici die bereid bleken te zijn om te onderzoeken of zij ooit een dialoog met de PLO konden aangaan. Tijdens de eerste intifada, de Palestijnse opstand, richtte hij allerlei politieke en technische commissies op die als prille infrastructuur konden dienen voor een toekomstige eigen staat.

Zelf verwerpt Nusseibeh geweld, maar hij gelooft wel dat de intifada de weg effende voor de Oslo-akkoorden. ‘De Israëlische veiligheidsdiensten realiseerden zich dat het een politieke strijd was, waarvoor een politieke oplossing nodig was, en uiteindelijk beseften ook Israëlische leiders als de toenmalige premier Yitzhak Rabin dat, als zij vrede wilden voor Israël, er met de Palestijnen onderhandeld moest worden, in plaats van gevochten.’

Geloofde u na de ondertekening van de Oslo-akkoorden dat die Palestijnse staat er echt van zou gaan komen?

‘Jazeker, waarom niet? Ik dacht terug te kunnen keren naar het academische leven en werd in 1995 rector van de Al Quds-universiteit. Ik weet zeker dat Arafat oprecht vrede wilde, maar hij vertrouwde de Israëliërs, die maar nederzettingen in bezet gebied bleven bouwen, niet volledig. En de Israëliërs geloofden helaas niet echt in vrede met ons.’

Dat gebrek aan vertrouwen bleek fataal. De Amerikaanse president Bill Clinton probeerde het vredesproces in het jaar 2000 nog vlot te trekken tijdens een top in Camp David, maar kort nadat dit op een mislukking uitliep, brak de tweede intifada uit. Sindsdien is het idee van een eigen Palestijnse staat steeds verder uit het zicht geraakt.

‘Vele vingers wijzen nu naar het zionisme’, zegt Nusseibeh. ‘Palestijnen, en ook een groot deel van de internationale gemeenschap, zien dit als een koloniale onderneming waar alleen onderdrukking uit kan voortkomen. Ik heb daar mijn vraagtekens bij. Het zionisme, en de manier waarop zionisten naar Palestijnen kijken, heeft door de jaren heen verschillende stadia doorlopen. Zeker: op dit moment zien we vanuit het zionisme een totale ontkenning van Palestijnse rechten en belangen, maar er was een tijd dat het zionisme het idee van een tweestatenoplossing omarmde.

‘Na het mislukken van Camp David ging ik samen met Ami Ayalon, het voormalige hoofd van de Israëlische geheime dienst, om tafel zitten. We probeerden een samenwerkingsverband van Israëliërs en Palestijnen van de grond te krijgen dat onze leiders weer aan de onderhandelingstafel moest brengen. Hiervoor ontwikkelden we een plan voor de tweestatenoplossing, dat aan Israëlische zijde door meer dan een miljoen burgers werd ondertekend – op ongeveer 5,5 miljoen mensen is dat een ongekend aantal. En dat waren dus mensen die zichzelf als zionist beschouwden; een miljoen zionisten die wilden meewerken aan een Palestijnse staat.’

U zegt: het zionisme dat in die tijd bestond, moet nog steeds ergens zijn?

‘Daar geloof ik zeker in.’

De vraag is: hoe komt dat weer boven water?

Na een diepe zucht: ‘Luister, op dit moment lijkt alles onmogelijk, maar als je kijkt naar conflicten wereldwijd, door de eeuwen heen, zie je dat geen enkel conflict eeuwig duurt. Dat geldt natuurlijk ook voor ons. Helaas zie je als je ergens middenin zit nooit hoe de huidige situatie kan worden opgelost. Er kan iets gebeuren dat alles in één klap verandert, het kan ook stapje voor stapje gaan. Pas achteraf zullen we kunnen zien: daar zat het moment, dat was die omslag.

‘Je moet mensen op dit moment geen directe vragen stellen: is er vrede mogelijk, kun je de vijand vertrouwen, welke stappen heb je nodig om met elkaar verder te kunnen? Iedereen is bang voor de ander, boos op de ander. Er is geen enkel antwoord dat die angst en die woede weg zal kunnen nemen.

‘Maar zelfs in deze tijd zie ik dat er nog steeds met elkaar wordt gecommuniceerd. Zakenmensen bijvoorbeeld, Palestijnen en Israëliërs, zijn met elkaar aan tafel gaan zitten om te kijken of zij samen het Turkse embargo kunnen omzeilen en zo geld kunnen blijven verdienen. De maffia werkt samen: als ik in Israël een auto steel, wil ik die in Palestijns gebied kunnen verkopen. En die Israëlische man die koffiebonen kwam kopen bij een Palestijn, dat wordt heel normaal gevonden.

‘Het klinkt heel klein en onbeduidend, maar je ziet dat er in het gewone leven dus nog steeds interactie is, ondanks alle problemen. Daar zit uiteindelijk de sleutel: iedereen wil een normaal leven. Zodra de druk van het geweld minder groot wordt, en de woede die daarmee weer wordt gevoed, groeit de behoefte aan samenwerking. En idealiter komt daar, na lange tijd, vertrouwen uit voort.’

Die behoefte om samen te werken lijkt momenteel veel groter aan Palestijnse zijde, en dan zeker op de Westelijke Jordaanoever. In Israël hoor ik in gesprekken met burgers veel minder angst, en ook minder behoefte aan normalisering.

‘Je moet de impact van de aanval van Hamas niet onderschatten. De omvang daarvan en de bijna achteloze moorden op burgers waren een klap voor de Israëliërs die zij nog lang niet te boven zijn gekomen. Het hele idee dat Joden in eigen land veilig zijn, is hiermee aangetast. Dat is een ongekende psychische dreun. Het rechtvaardigt de vele doden in Gaza niet, maar de existentiële angst die Israëliërs voelen, is oprecht.

‘Tegelijkertijd is de oorlog in Gaza ook voor Israël zwaar. De munitie raakt op, de reservisten hebben geen zin om nog een keer te komen opdraven – iets dat voorheen ondenkbaar was. Tienduizenden Palestijnen zijn dood, en toch is de situatie niet veranderd, Hamas is niet ‘totaal’ verslagen. Ik merk dat steeds meer Israëliërs zich afvragen waar het heen moet en dat ook bij hen de vermoeidheid toeslaat. Dat vertaalt zich nog lang niet naar druk op de leiders om een andere oplossing te vinden, maar als je een Israëliër vraagt of hij gelukkig is met deze situatie, zal het antwoord ‘nee’ zijn. En de behoefte aan een ‘normaal leven’ is uiteindelijk heel krachtig.’

Als die behoefte daadwerkelijk tot druk op politici leidt, zijn de huidige leiders daar dan ook ontvankelijk voor?

‘Op dit moment helaas niet. In Israël zit een regering die gelooft dat zij met geweld haar wil kan opleggen aan de andere zijde. En als er nu verkiezingen zouden worden gehouden, zie ik daar niemand aan de macht komen die wel naar vrede toe wil werken. Aan Palestijnse zijde is bij Hamas ook geen ruimte voor dialoog. Ondertussen is de Palestijnse president Mahmoud Abbas weliswaar altijd aan geweldloosheid en het vredesproces blijven vasthouden, maar (door de corruptie, de samenwerking met het Israëlische veiligheidsapparaat en het uitblijven van vrede, red.) geniet hij geen enkel vertrouwen meer bij zijn eigen bevolking.’

Dat klinkt uitermate uitzichtloos. En de gebeurtenissen in Gaza voeden de woede onder Palestijnen, wat mogelijk een nieuwe generatie militanten creëert.

‘De situatie is nog nooit zo moeilijk geweest. Veel Israëliërs die altijd hebben geijverd voor vrede, zijn nu woedend op Palestijnen. En ook Palestijnen die ooit voor samenwerking hebben gepleit, zeggen dit niet meer te willen. Maar wat ik eerder zei: dit is niet het moment voor directe vragen en ik verwacht op korte termijn zeker geen wonderen.’

En dus zeker niet met de huidige leiders. Ziet u in de coulissen wel mensen staan die dat kunnen?

‘We hebben moed nodig. Moedig en eerlijk leiderschap. Toen ik na Camp David met Ayalon samenwerkte aan ons plan voor een tweestatenoplossing, stelden we bijvoorbeeld dat de Palestijnen en hun nazaten die in 1948 waren gevlucht, alleen konden terugkeren naar de nieuwe Palestijnse staat – en dus niet naar hun oude huizen in wat nu Israël is. Dat was een pragmatische toegeving, een prijs om wel een eigen staat te krijgen.

‘Het was echter erg controversieel en veroorzaakte aan Palestijnse zijde veel woede. Toen ik werd gevraagd dit plan te komen uitleggen in een Palestijns vluchtelingenkamp, twijfelde ik, want wellicht zou ik dat kamp niet levend uitkomen. Toen ik toch ging, kreeg ik na mijn uitleg drie dingen te horen: ik had niemand overtuigd – iedereen vond mijn ideeën verwerpelijk – en ik werd gerespecteerd, omdat ik eerlijk had uitgelegd wat de afweging was.

‘Het slechte nieuws eerlijk brengen is precies wat politici vermijden, uit vrees zichzelf impopulair te maken. Maar hoe kun je anders iemand vertrouwen? Dat hebben we dus nodig. Dat, en de toewijding om naar vrede toe te werken, zonder je te laten afschrikken door nieuwe gebeurtenissen. En ja, ik kan geen namen noemen, maar ik geloof dat er ook nu aan beide zijden mensen zijn die dat kunnen zodra de omstandigheden daar rijp voor zijn.’

Er wordt vaak gezegd dat het soms erger moet worden, voordat iets nieuws kan ontstaan. Is het mogelijk dat de aanval van 7 oktober en de oorlog die daarop volgde, uiteindelijk toch de omslag kan zijn die uiteindelijk tot verandering leidt?

‘Zeker. Aan Palestijnse zijde hoor ik steeds meer kritiek op Hamas. In eerste instantie hoorde ik bewondering – en daarmee bedoel ik geen goedkeuring voor de slachtpartijen, maar wel bewondering omdat Hamas de bezetter had aangevallen en de Palestijnse kwestie internationaal weer op de kaart had gezet. Dat is ook waar: er is een nieuwe erkenning voor het lot van de Palestijnen, die er eerder niet was.

‘Maar ik zie ook dat degenen die eerst onder de indruk waren, nu de vele doden zien, de schade die ons wordt berokkend. Zij beginnen te zeggen dat de prijs te hoog is en dat Hamas met een gestoorde actie een te groot risico heeft genomen.

‘Net zoals in Israël de vermoeidheid toeslaat. Israëliërs willen ook niet op deze manier leven – omdat het geen goed leven is. Nu zeggen zij nog dat alle ellende wordt veroorzaakt door terroristen, maar dat is politiek, en dat is dus iets wat je kunt beïnvloeden. Wanneer mensen gaan geloven dat de kans op een beter leven juist dichterbij komt met een vredesproces, is dat een idee waar de bevolking zich achter kan scharen.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Lees hier alle artikelen over dit thema

Source: Volkskrant

Previous

Next