Net als de afgelopen vier jaar belt recensent Onno Blom met Peter Buwalda om hem te vragen of komend jaar dan eindelijk het vervolg op Otmars zonen zal verschijnen. ‘De proefdrukken, die druppelen hier binnen, dat is lekker, dat gaat hard.’
Hallo Peter, hoor je mij?
‘Ik heb geen tijd. Maar ik hoor je. Ik neem gewoon op, zie je wel.’
Je bent toch niet vergeten dat het tijd is voor de jaarlijkse peiling? Kunnen we uitzien naar De jaknikker, het langverwachte tweede deel van je trilogie, de opvolger van Otmars zonen?
‘Zeker. Ik ben bijna klaar, maar juist dan neemt de werkdruk toe, lullig is dat. De Bezige Bij wil in maart 2025 publiceren. In de laatste fase loop ik het geheel nog een paar keer door, steeds een rondje om de Zwarte Zee, begrijp je. Het zijn veel pagina’s, het is een tijdrovende klus. Maar ieder rondje gaat sneller. Het schrijven zelf, de eerste ronde, duurde… drie jaar? Ik denk vier. De eerste keer herschrijven anderhalf jaar. Derde ronde vijf maanden. Luister je nog?’
Zeker Peter, ga door. Ik klok rondetijden.
‘Tenslotte, en dan tel ik ronde zeven, of acht, weet ik het, gaat het relatief in een flits. De proefdrukken, die druppelen hier binnen, dat is lekker, dat gaat hard. Maar dan heb ik ook weinig tijd over. Dan schorten we de nachtrust op, die bui hangt al klaar, Onno. In de avonduren, om mezelf maximaal te tergen, lees ik Vestdijk.’
Dus ik stoor?
‘Je stoort enorm. Mijn deadline is 7 februari. De bedoeling is dat ik iedere dag een hoofdstuk trim, vil en looi, dan haal ik het. Het zijn er ongeveer veertig, vijfduizend woorden het stuk.’
Maar? Het klinkt alsof er een maar komt…
‘Ik ga net iets te traag. Het begint uit de pas te lopen. Ik zit hier inderdaad als hoe heet-ie, Sven Kramer, te rekenen. De feestdagen zijn uiteraard geschrapt, daar zijn ze voor, en zojuist heb ik bij hoge uitzondering mijn columns voor de komende weken afgezegd. Ik neem nooit vrij van die krengen.’
Maar waarom niet? Dat doet toch iedere columnist op z’n tijd?
‘Ja, nee, weet ik. Ik sjeesde wel eens in het begin. Dan vond ik ’m mislukt, snap je. Ver na de deadline, na een uur getrek, getier, en gedreig, kwam het besef, en dan moest ik het de redactie gaan melden. Niet leuk. Om die reden heb ik besloten, ter compensatie, nooit vakantie te nemen. Ach, vakantie, het is maar een keer per week. Een columnist heeft altijd vakantie.’
Toch ben je behoorlijk monomaan. Je vertelde vorig jaar dat je zeven dagen per week werkt. Als De jaknikker af is, moet je meteen door aan deel drie.
‘Daarover heb ik nieuws. Het wordt een drieluik, maar ook een tweeluik. Ik heb het zo geschreven, Onno, dat Otmars zonen en De jaknikker een vrijwel afgeronde indruk zullen maken. Samen zijn ze kogelrond. Ik zou het erbij kunnen laten. Maar een derde deel is tegelijkertijd aanlokkelijk en logisch.
Echt? Hoe is dat mogelijk, je telt toch af van hoofdstuk 111 naar hoofdstuk 1?
‘Ja, klopt, dat is niet echt veranderd. Toch zijn de eerste twee delen samen één roman. Een planeet waar deel drie als een maan omheen kan cirkelen. Er een vaal licht op zal werpen. Zo stel ik het me nu voor. Excuses voor de kosmische beeldspraak, moet ik eigenlijk niks van hebben. Ik werk liever met een kerststol en een krentenbol.’
Maar doe je dit niet eigenlijk om jezelf te verlossen van het juk van de triptiek?
‘Nee. Geenszins. Ik wil dat derde deel per se maken. Ik ben eerder bang dat ik zónder door Breda ga zwerven. Maar ik heb een stel oude vrienden, oud in de zin van bejaard, en die hebben me een paar keer gezegd: schiet eens op, Peter, anders haal ik deel drie niet meer. Onder wie mijn vader. Voor hem rond ik het tussentijds af, snap je. Voor het geval dat.’
Ik begrijp het. Toch verbaast het me. Je had het eerder over ‘een bakblik waaraan niet te tornen viel’.
‘Jij hebt het geheugen van een ijzeren pot. Ik herinner me geen bakblik. Eigenlijk is-ie vanzelf ontstaan, deze vorm. Vloeide voort uit een fundamentele ingreep van een paar jaar geleden, merk je wel als je het leest. Mij lijkt het wel eens aardig, een tweeluik dat ook een drieluik is. Alles is al gedaan – maar dat niet. Ach, wat zegt het. Al dit geleuter over omvang en deeltjes. Het is tekst, daar gaat het om.’
Het is inmiddels een traditie: jaarlijks spreekt recensent Onno Blom met Peter Buwalda om hem te vragen of zijn roman De jaknikker komend jaar eindelijk zal verschijnen. Al sinds 2021 verheugt Blom zich op het boek. Of dat zin heeft, is een tweede.
Een jaar later vraagt Blom zich af waarom Buwalda het toch zo ingewikkeld maakt. ‘Die boeken beheersen mij, niet andersom.’
Blom verheugt zich voor het derde jaar op rij op het boek dat maar niet verschijnt. ‘Dat maar niet verschijnt? Het is geen banketstaaf.’
Begin 2024 doet Buwalda een voorspelling: ‘Laat ik eens gek doen, waarom ook niet. De jaknikker verschijnt in de herfst van 2024’
Kun je niet iets concreter zijn? Ik kan het me nog steeds niet voorstellen.
‘Nee. Ik kan nog maar een stap concreter worden, en dat is De jaknikker in zijn geheel aan je voorlezen.’
Dat zou ik graag willen, maar we hebben maar 1.200 woorden... Ga je na 7 februari op vakantie?
‘We gaan het huis schilderen. En wie weet ook even weg. Heb ik al zes jaar niet meer gedaan. Geen idee of ik het nog verdraag, rondhangen in een stad, naar musea, op een strand liggen. Waarom zou je dat doen?’
Wat me overigens zorgen baart, Peter, is dat De jaknikker niet in de aanbieding van De Bezige Bij staat.
‘Wat? Stond-ie er niet in?! Nee, weet ik. Mij is verzekerd dat je boeken tegenwoordig ook los kunt aanbieden, met een mailtje naar de boekwinkels. De Bij neemt dit keer, na het incidentje rondom Otmars zonen, toen ik nog niet klaar bleek te zijn en de abri’s en de trekpoppen de open haard in konden, het zekere voor het onzekere. Leren van je fouten, heet dat. Zouden meer bedrijven moeten doen.’
Vind jij dat schrijvers vaak te snel tevreden zijn?
‘Geen idee. Ik ben daar niet bij, hè. Vestdijk schreef in een maand De ziener. Dan moet je echt met een raket op wielen om de Zwarte Zee heen, één ronde, en klaar. Het is een volledig gelukt boek, een meesterstuk. Er bestaan ook romans waar een leven lang aan gewerkt is, die een onvoltooide, moeizame indruk maken.’
Heb je een voorbeeld?
‘Ik denk aan… The Way of All Flesh, van Samuel Butler. Heeft hij elf jaar op gezwoegd, toen nog eens herzien, en tenslotte na zijn dood, in 1903, laten publiceren. Een wat gewrongen, stroef, maar juist daarom ook fascinerend boek. Een Trollope zou het in een paar maanden afscheiden. Maar dat vind ik juist een van de charmes van de literatuur, de veelvormigheid ervan, geen enkel goed boek lijkt op een ander goed boek, zelfs niet in de totstandkoming. Het is onderdeel van de kunstvorm, het zwoegen of juist niet zwoegen.’
Vind jij jezelf een zwoeger?
‘Voorheen wel, inmiddels niet meer. Tegenwoordig geniet ik tijdens het schrijven van het schrijven. Ik zie nu op tegen het publiceren, niks aan, vind ik dat. Terwijl ik er vroeger, bijvoorbeeld tijdens het werken aan Bonita Avenue, naar uit zat te kijken. Leek me leuk. Als er kinderen op straat speelden, hing ik uit het raam: ‘Kop houwen, ik zit de Nobelprijs te winnen!’’
Hahaha, heb je dat echt gedaan?
‘Nee, grapje. Maar de geldingsdrang ben ik geheel en al kwijt. Zal wel de leeftijd zijn.’
Maar heb je die verbetenheid niet nodig?
‘Ik hoop het niet. Misschien heb ik een saai lor geschreven, weten wij veel. Maar ik hou meer van literatuur dan vroeger. Nog meer. Het lezen van de voorgangers levert me voldoende brandstof op. Willem Frederik Hermans schreef om anderen het schrijven onmogelijk te maken. Ik zie de literatuur als een grote, verbluffende klont, die moet blijven groeien. Als er alleen WFH’s bestonden, Onno, en verder niks, dan stapte ik eruit.’
De jaknikker van Peter Buwalda verschijnt (vermoedelijk) in maart 2025 bij De Bezige Bij.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant