Tegen het einde van het jaar strijken de cabaretiers als seizoenarbeiders neer op de Nederlandse televisie. Dan worden de politieke en levensbeschouwelijke
druiven geplukt met humor en satire, wat net als het afsteken van zwaar vuurwerk een Nederlandse traditie schijnt te zijn.
De meeste seizoenarbeiders ontberen eenvoudig het talent voor werkelijke geestigheid en voor hen zou het wellicht beter zijn voortaan echte druiven te gaan plukken. Intussen ken ik steeds meer mensen, die naar algemeen genoegen een conference-vrije oudejaarsavond vieren.
Bij de Nederlandse televisie hebben ze die trend nog niet zo in de gaten. Daar begon het conference-seizoen dit jaar al vroeg rond half december, terwijl – zo heb ik de indruk – het seizoen pas weer eindigt ergens in maart als ook de laatste Nederlander zijn kerstboom buiten heeft gezet.
Onder de huidige omstandigheden is het geen toeval dat het seizoen begon met een misverstand. Er is niets zo ondankbaar als uitleggen van een grap, een mop of een humoristische gebeurtenis. Het is niet alleen ondankbaar, het is ook bijna onmogelijk. Denk maar eens aan kinderen, die snikkend van de slappe lach aan jou iets grappigs willen doorvertellen. Dat lukt gewoon niet, ook al zijn de kinderen weer bij zinnen en proberen zij serieus te beschrijven wat er is gebeurd. Het geestige en het komische blijken in tweede instantie vaak minder geestig en komisch, eenvoudig omdat de toehoorder er zelf niet bij was toen het spontaan ontstond.
Het misverstand heette Van Kooten en De Bie: toen werd nu. Het werd uitgezonden als een vijfdelige serie van ongeveer 25 minuten per aflevering. Het misverstand betrof ook niet het duo, want Van Kooten en De Bie zijn grootmeesters in het komische genre. Het misverstand bestond eruit dat de schetsjes en typetjes werden uitgelegd en verklaard naar de huidige tijd door vijf Nederlanders, min of meer bekend uit de media: Lamyae Aharouay, Abdelkader Benali, Stine Jensen, Kustaw Bessems en Marleen Stikker.
Als je wilt verklaren waarom iets humoristisch is, moet je dat doen op meta-niveau, zoals een definitie van bijvoorbeeld een auto geen onderdelen van een automobiel mag bevatten. Daar ligt al meteen het probleem. Praten of schrijven over humor kan nooit leuk zijn en is per definitie saai en vervelend.
Kees van Kooten zelf heeft ons dat al uitgelegd in het essay dat hij in 1976 voor de Haagse Post schreef, getiteld: Is Woody Allen natuurleuk? Boven het stuk, later opgenomen in de bundel Hedonia, staat: ‘Kees van Kooten geeft een beschouwing van het huidige leukte-aanbod. Mèt 42 voetnoten.’ Die 42 voetnoten staan er echt bij, keurig onderaan afgedrukt als in een wetenschappelijk artikel.
Is Woody Allen natuurleuk? is meteen ook het saaiste en vervelendste dat Kees van Kooten ooit geschreven heeft – met opzet natuurleuk, sorry. Maar eerlijk gezegd is het zelfs Van Kooten niet helemaal gelukt in zijn beschouwing tot het einde toe humorloos te blijven, want noot 18 luidt: ‘Dit is zomaar een losse Noot. Ik heb gelezen dat er na afloop van een voorstelling André van Duins Pretmachine op de deur van Van Duins kleedkamer werd geklopt. En wie stonden daar getweeën klaar om tot in de kleinste uurtjes met André over HET VAK te praten? Herman van Veen en Paul van Vliet. Zóu je ze niet? (Angst).’
Wie over humor gaat praten, moet dat zelf niet doen met een lach, want zoiets kan alleen maar lukken met het stalen gezicht van de droogkomiek. Dat is, geloof ik, al gezegd door F. Schiller, of anders wel door Groucho Marx of Buster Keaton. Helaas hebben de vijf Kees & Wim-uitleggers zich niet gehouden aan die dringende opdracht.
Lamyae Aharouay zat erbij met de eeuwig vertederende glimlach van oma, die haar eerste kleinkind beziet en Abdelkader Benali trakteerde ons op de uitdrukking van een jonge hond die tegen je opspringt, omdat hij eens lekker gezellig lol wil maken. De laatste had trouwens de taal van Van Kooten & De Bie tot onderwerp, wat ik nogal opmerkelijk vond, omdat ik hem een keer aan taalquiz mee heb zien doen: hij bleek niets te weten en moest als eerste het spel verlaten.
En Stine Jensen, ach Stine, filosofie & humor blijft een moeilijk onderwerp. Wittgenstein achtte het mogelijk om een filosofisch werk te schrijven dat geheel uit grappen bestaat, maar zelfs een eerste zin (1.0) heeft hij daarvoor niet kunnen bedenken. Alles bij elkaar zat ik met gekromde tenen, telkens wanneer een duider weer ging uitleggen hoe geestig het allemaal was (en zou worden), en hoe ver Van Kooten en de Bie als ware profeten hun tijd vooruit waren. Wie een en ander op Uitzending Gemist terug wil zien, raad ik aan gauw het geluid uit te zetten als de duiders aan het woord komen.
Over de auteur
Max Pam is schrijver en columnist van de Volkskrant. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns