Zondag 29 december is Jimmy Carter op 100-jarige leeftijd overleden in zijn geboorteplaats Plains, Georgia. Zijn dood kwam nauwelijks als een verrassing: al jarenlang kampte Carter met gezondheidsklachten en ontving hij hospicezorg. Bovendien was hij al zeer hoog bejaard. Toch markeert zijn overlijden het einde van een bijzonder tijdperk in de Amerikaanse politiek. Hij was de 39e president van de Verenigde Staten, diende van 1977 tot 1981 en werd nadien geroemd om zijn inzet voor de mensenrechten en zijn diplomatieke missies die hij volhardend voortzette als ex-president. Als geen ander heeft hij laten zien dat er leven ís na het Witte Huis. Sterker nog, velen beschouwen hem als een van de succesvolste ex-presidenten die Amerika ooit heeft gekend.
Met zijn nadruk op morele zuiverheid, eenvoud en dienstbaarheid, botste Carter als president geregeld met de gespannen realiteit in Washington. In de jaren van zijn ambtstermijn was de Amerikaanse samenleving getraumatiseerd door Vietnam, het Watergate-schandaal onder Richard Nixon en economische malaise. De man die zich presenteerde als eerlijk buitenstaander: “Noem mij maar Jimmy”, werd aanvankelijk omarmd, maar stuitte al snel op scepsis en tegenwerking. Zijn presidentschap werd getekend door successen als het vredesakkoord tussen Israël en Egypte, maar ook door de Iraanse gijzelingscrisis en binnenlandse economische problemen. Uiteindelijk verloor hij de verkiezingen van 1980 ruim van de Republikein Ronald Reagan. Die nederlaag markeerde echter niet het einde van Carters invloed. Via het in 1982 opgerichte Carter Center en talloze diplomatieke missies groeide hij uit tot een internationaal erkende vredesstichter, wat in 2002 werd bekroond met de Nobelprijs voor de Vrede.
In dit stuk zal ik proberen om Carters levensloop te beschrijven van bescheiden begin tot aan zijn sterfdag, stil te staan bij zijn turbulente presidentschap zijn indrukwekkende schat aan werk die hij daarna als ex-president heeft verricht te belichten. Tegelijkertijd komen de tegenstellingen en paradoxen in zijn carrière aan bod: hoe een vroom en vooral eerzaam man toch een periode in het Witte Huis beleefde die regelmatig gekenmerkt werd door politieke wanorde en hoe hij, juist na zijn aftreden, een tweede leven vond waarin hij meer dan eens ook Amerikaanse presidenten na hem voor de voeten liep.
Zijn beginjaren in GeorgiaJimmy Carter werd geboren op 1 oktober 1924 in Plains, een klein stadje in het zuiden van Georgia. Zijn ouders, James Earl sr. en Lillian Carter, runden er een pindaplantage en hadden een winkel. Hoewel de familie Carter wit was, groeide de jonge Jimmy op in een overwegend zwarte gemeenschap, met wie hij als kind veel omging. Zijn moeder Lillian, een eigenzinnige en sociaal ingestelde verpleegkundige, trok zich weinig aan van de segregatiewetten die in die tijd nog heel stevig verankerd waren in de Amerikaanse Zuidelijke staten. Ze liet haar zoon spelen met zwarte vriendjes en bracht hem het respect bij dat alle mensen gelijkwaardig zijn, ongeacht huidskleur. Dat was in de jaren dertig een zeldzaamheid in Georgia, waar rassenscheiding de norm was.
Toch was Carters wereld niet vrij van tegenstellingen. Zijn vader dreef immers een bedrijf in wat in de praktijk een systeem van landpacht was, waarin hij bovenaan de hiërarchie stond en zwarte arbeiders vaak de zwaarste lasten droegen. Niettemin droeg de ervaring met segregatie en het onrecht in zijn thuisstaat bij aan Carters latere engagement voor de burgerrechten. Als tiener deed hij mee in de winkel en op de boerderij, maar hij was tegelijk sterk gefascineerd door de verhalen en mensen om zich heen. Hij was de eerste Carter die de middelbare school afrondde, waarna hij droomde van een loopbaan bij de marine.
Zijn marinecarrière en terugkeer naar de pindaboerderijNa de middelbare school deed Carter succesvol toelatingsexamen voor de prestigieuze Naval Academy in Annapolis. Daar studeerde hij werktuigbouwkunde en begon hij aan een veelbelovende loopbaan als marineofficier. Hij klom op tot luitenant-ter-zee en werkte onder andere in het nucleaire onderzeeërprogramma. Carter hield van de orde en discipline in de marine, al bleken de laatste jaren daarin wel benauwend: hij ontving strikte bevelen en verlangde naar meer vrijheid.
Die wens kreeg hij echter nauwelijks de kans te verwezenlijken, want in 1953 overleed Carters vader plotseling. Dat dwong hem en zijn vrouw Rosalynn, met wie hij in 1946 was getrouwd, terug te keren naar Plains om de pindaboerderij en bijbehorende winkel van zijn vader over te nemen. Rosalynn, die vanwege Carters marine-ambities zelf ook had gerekend op een wereld vol avontuur, was aanvankelijk teleurgesteld over de gedwongen terugkeer naar het plattelandsleven. Niettemin nam zij de boekhouding van het familiebedrijf voor haar rekening en wist Carter het bedrijf in de loop der jaren weer uit te breiden.
Terwijl hij aan het hoofd van de boerderij stond, raakte Carter steeds meer betrokken bij de lokale politiek. Hij was een van de weinige prominente inwoners die zich verzette tegen de plaatselijke White Citizens’ Council, een organisatie die streefde naar het in stand houden van de rassenscheiding. Carter weigerde, tot ongenoegen van veel witte inwoners, lid te worden. Die principiële houding tegenover ras en gelijkheid, die voor de conservatieve omgeving als radicaal gold, zou hem in eerste instantie duur komen te staan: klanten bleven weg en hij werd gemeden in de sociale kringen van Plains.
Zjjn politieke opkomst: van Senaat tot gouverneurschapOndanks de weerstand in zijn eigen gemeenschap zette Carter toch zijn eerste stappen in de politiek. In 1962 werd hij gekozen in de Senaat van Georgia. Hoewel hij de achterban had van progressievere kiezers die een einde wilden maken aan rassenscheiding, moest hij in zijn conservatieve thuisstaat steeds balanceren tussen hervormingsgezinde idealen en pragmatische keuzes. Het leverde hem een reputatie op van iemand die integer was, maar soms leek te schipperen met de harde politieke realiteit.
In 1966 wilde Carter, na vier jaar in de Senaat, meteen een stap hogerop. Hij stelde zich verkiesbaar voor het gouverneurschap van Georgia, maar moest het afleggen tegen Lester Maddox, een uitgesproken segregatiegezinde kandidaat. Deze klap maakte Carter duidelijk dat hij electorale concessies moest doen om te kunnen winnen. Hij haalde lessen uit die nederlaag en wanneer hij zich in 1970 opnieuw kandidaat stelde voor gouverneur, wist hij met strategische taalkeuzes de steun te verwerven van zowel progressieve als conservatieve kiezers. Hij won de verkiezingen, al zou hij later toegeven dat hij achteraf ‘liever niet aan die campagneperiode herinnerd’ wilde worden. Want om te winnen had hij, overigens zonder expliciet racistisch te zijn, wel ingespeeld op de gevoelens van witte kiezers.
Eenmaal gouverneur pakte hij echter daadkrachtig door op het gebied van burgerrechten. In zijn inaugurele rede in 1971 zei hij duidelijk: “De tijd van de rassenscheiding is voorbij.” Hij vervulde bestuursfuncties met zwarte ambtenaren, ruimde de weg vrij voor hervormingen op het gebied van onderwijs en infrastructuur en gold binnen korte tijd als de belichaming van een ‘Nieuw Zuiden’: een politicus uit Georgia die openlijk afstand nam van de oude Dixie-traditie van blanke suprematie. Grote landelijke kranten besteedden aandacht aan Carters nieuwe wind, wat hem een interessant gezicht maakte binnen de Democratische Partij.
Een buitenstaander in WashingtonRond het midden van de jaren zeventig kampte de Verenigde Staten met een ernstig politiek en moreel vertrouwenstekort. De Watergate-affaire onder president Nixon had het land geschokt, en Nixons opvolger Gerald Ford kon maar moeilijk overtuigen. De Democratische Partij zocht naar een kandidaat die geloofwaardig afstand van het establishment kon nemen en de trots van de Amerikanen kon herstellen. Carter, de pindaboer uit Georgia en voormalig marineofficier, sloot vrijwel naadloos aan bij het verlangen naar vernieuwing en vooral naar eerlijkheid.
Aanvankelijk was Carters naamsbekendheid buiten Georgia gering. Maar hij had twee enorme troeven: een energieke campagne-ijver en het feit dat hij ‘een buitenstaander in Washington’ was. In de voorverkiezingen reisde hij het hele land door, soms eerder dan zijn potentiële Democratische rivalen. Hij beloofde plechtig nooit te zullen liegen tegen de Amerikanen: na de affaire-Nixon klonk dit als muziek in de oren. Het idee van een diepgelovige, eenvoudige gouverneur die met een stralende glimlach de politiek weer schoon zou vegen, had grote aantrekkingskracht. Met slogans als “Why not the best?” en “Ik zal nooit tegen jullie liegen” groeide Carter uit van bijna onbekend naar Democratisch presidentskandidaat.
In de race tegen zittend president Gerald Ford won Carter uiteindelijk, al was de verkiezingsuitslag in 1976 niet bepaald een landslide. Toch markeerde zijn zege het begin van een nieuw hoofdstuk: de man die zijn eigen koffers droeg en bij zijn inhuldiging hand in hand met zijn vrouw Rosalynn terugwandelde naar het Witte Huis, mocht aantreden als de 39e president van de Verenigde Staten.
Zijn presidentschap (1977–1981)Carter nam het roer over in een onrustige periode in de Amerikaanse geschiedenis. Vietnam liet diepe sporen na in de samenleving, de door Nixon veroorzaakte vertrouwenscrisis was nog vers, en economische tegenwind, met hoge inflatie en oplopende werkloosheid, stelde de nieuwe regering voor acute problemen. Bovendien waren de spanningen in de Koude Oorlog nog altijd hoog. Carter wilde een ‘nederige’ president zijn, een man van het volk, zonder grote entourage en zonder overdreven grandeur. Met zijn directe, soms vrome toon en doorprikkende eerlijkheid riep hij echter niet alleen sympathie, maar ook weerstand op. In Washington, waar diplomatie en compromissen de levensaders zijn, stoorden sommige Congresleden zich aan zijn morele superioriteit en beperkte gevoel voor politieke spelletjes.
Zijn binnenlands beleidNa jaren van onrust door de oliecrisis, economische stagnatie en torenhoge inflatie wilde Carter ingrijpen met een gelaagd energieplan. Hij riep Amerikanen in een vroeg stadium op de verwarming lager te zetten, het autogebruik te beperken en duurzamer om te gaan met grondstoffen. Hij zette in op isolatieprogramma’s, zonnepanelen op het Witte Huis en wilde zo de afhankelijkheid van buitenlandse olie verminderen. Een deel van deze hervormingen slaagde, maar het Amerikaanse publiek zag de voortdurende hoge benzineprijzen en stroomuitval als bewijs dat het slechts moeizaam vooruitging.
Op sociaal gebied was Carter progressiever dan menigeen verwachtte. Hij stelde veel vrouwen en zwarte Amerikanen aan in hoge functies, ondertekende wetten op het gebied van onderwijs, milieu en psychische gezondheidszorg, en probeerde ook op federaal niveau rassengelijkheid te bevorderen. Tegelijkertijd kon hij lastig omgaan met het Congres, zelfs al hadden de Democraten in beide Kamers de meerderheid. Hij bejegende de Congresleden soms alsof hij hen de les las, wat tot irritatie leidde en regelmatig stagnatie bij het doorvoeren van wetgeving veroorzaakte.
Buitenlands beleid en de Camp David-akkoordenHoewel Carter zich aanvankelijk als minder geoefende buitenlandpoliticus presenteerde, boekte hij zijn grootste succes juist op het wereldtoneel. In zijn inauguratie benadrukte hij al dat mensenrechten centraal zouden staan in zijn buitenlandse politiek. Daarmee brak hij met sommige eerdere presidenten die makkelijker overweg konden met dubieuze regimes. Hij zette de steun aan dictaturen in Chili en Nicaragua stop en probeerde internationale conflicten te kalmeren.
Zijn grote triomf was echter de bemiddeling bij het vredesverdrag tussen Egypte en Israël. In september 1978 ‘gijzelde’ Carter de Egyptische president Anwar Sadat en de Israëlische premier Menachem Begin dertien dagen lang op Camp David, het presidentiële buitenverblijf. In een sfeer van wandelen, informeel praten en talloze onderhandelingen sleepte hij een akkoord uit de brand dat, tot ieders verbazing, overeind bleef: de Camp David-akkoorden. Ze golden als een historisch vredesverdrag tussen twee landen die tot dan toe gezworen vijanden waren. Het leverde Sadat en Begin de Nobelprijs voor de Vrede op (en Carter zou naar de mening van velen deze onderscheiding destijds al mee hebben verdiend, wat pas in 2002 werd goedgemaakt).
Moeilijke tijden: inflatie, energiecrisis, Iran en populariteitsvalToch kreeg Carters binnenlandse gezag ernstige klappen. De economie kwakkelde en de inflatie steeg in rap tempo. De benzineprijzen rezen de pan uit en automobilisten stonden in lange rijen te wachten bij brandstofpompen. In de zomer van 1979 hield Carter een televisie-toespraak waarin hij de Amerikanen confronteerde met wat hij noemde een ‘vertrouwenscrisis’ (door critici de ‘malaise-toespraak’ genoemd, hoewel hij dat woord niet letterlijk gebruikte). Hij riep burgers op minder te consumeren en in te zien dat de nationale somberheid net zozeer een moreel als een economisch probleem was. Aanvankelijk steeg zijn populariteit even, maar hij schoot zichzelf in de voet toen hij enkele dagen later zijn ministers ontsloeg en deels verving. Het leek of hij zwalkte. De toespraak werd door conservatieven en moderaten al snel beschouwd als toonbeeld van zwak leiderschap en ongepast moralisme.
De allergrootste tegenslag volgde echter uit de Iran-crisis. De sjah van Iran, decennialang een bondgenoot van de VS, was in 1979 verjaagd door een islamitische revolutie onder leiding van ayatollah Khomeini. Carter liet de zieke sjah toe in Amerika voor medische behandeling, waarna Iraanse revolutionairen de Amerikaanse ambassade in Teheran bestormden en tientallen personeelsleden gijzelden. Deze gijzeling hield 444 dagen aan en ontnam de Amerikanen iedere illusie van diplomatieke controle. In april 1980 gaf Carter toestemming voor een militaire reddingsoperatie (operatie Eagle Claw), maar die mislukte jammerlijk in een zandstorm, waarbij acht Amerikaanse militairen omkwamen. De vernedering was compleet: voor veel Amerikanen werd dat de kern van Carters presidentschap.
Nederlaag bij de verkiezingen van 1980 en afscheid van het Witte HuisDe explosieve combinatie van economische malaise, gebrekkige machtsbasis in Washington en de Iraanse gijzelingscrisis ondermijnde Carters kansen op herverkiezing. In 1980 ging de Democratische Partij intern gebukt onder grote spanningen. Senator Ted Kennedy probeerde Carter zelfs van de Democratische nominatie te beroven. Republikeinen waren ondertussen bezig Ronald Reagan, een optimistisch gestemde ex-gouverneur van Californië, naar voren te schuiven. Reagan deed een glasheldere oproep: “Are you better off than you were four years ago?” De meeste Amerikanen vonden van niet.
Carter verloor de verkiezingen van 1980 dan ook totaal. Ironisch genoeg liet Iran de gijzelaars pas vrij op de dag dat Reagan werd beëdigd als president, alsof men wilde benadrukken dat Carters tijdperk ten einde was. Volledig verslagen en met diepe teleurstelling in zijn hart keerde Carter in 1981 terug naar Plains, Georgia, een dorp dat inmiddels nauwelijks vacatures en nog geen zeshonderd inwoners telde.
Een verrassend tweede leven: ex-president CarterWaar de meeste oud-presidenten steevast omarmd worden door het lucratieve circuit van lezingen, besturen en adviesraden, koos Carter voor een heel andere route. Hij leunde niet op zijn presidentiële pensioen om een persoonlijk fortuin op te bouwen. Met zijn vrouw Rosalynn richtte hij in 1982 het Carter Center op in Atlanta. Het centrum is geen museum of pronkstuk met archieven, maar een actieve non-profitorganisatie die zich richt op mensenrechten, democratie en de bestrijding van ziekten in ontwikkelingslanden.
Carter zelf dook overal ter wereld op waar conflicten woedden of verkiezingen op stapel stonden. Hij begeleidde democratische overgangen in Latijns-Amerika, waarnam verkiezingen in Afrika en zette zich in om ziektes als rivierblindheid en dracunculose (Guinea worm) uit te roeien. Steeds weer wist hij opvallen te bemiddelen tussen strijdende partijen of regimes die door Amerika werden genegeerd. Zo probeerde hij een nucleaire escalatie met Noord-Korea te voorkomen in de jaren negentig, bemiddelde hij bij de overgang van een militair naar een democratisch bestuur in Haïti, en bood hij zijn diensten aan in verschillende brandhaarden in Afrika.
Hoewel hij bij die missies geregeld succes boekte, trapte hij ook op lange tenen. Presidenten na hem, van Bill Clinton tot George W. Bush, ergerden zich soms aan Carters solo-diplomatie die niet altijd paste in de officiële lijnen. Maar als ex-president kon hij doen en laten wat hij wilde: “Ik kan zeggen wat ik wil en kan bemiddelen in situaties die mij interesseren,” merkte hij eens op. Hij kreeg regelmatig kritiek, onder andere voor zijn boek Palestine: Peace Not Apartheid (2006), waarin hij Israël beschuldigde van een beleid dat met apartheid te vergelijken was. Verschillende voormalige medewerkers braken daarop met hem. Toch week hij niet. Carter bleef in zijn eigen morele overtuigingen volharden.
Bekroning: Nobelprijs voor de Vrede (2002)In 2002 ontving Carter eindelijk de Nobelprijs voor de Vrede, niet alleen voor zijn werk bij Camp David, maar juist voor de decennialange inspanningen na zijn presidentschap: zijn ‘niet-aflatende pogingen om vreedzame oplossingen te vinden voor internationale conflicten, voor het bevorderen van democratie en mensenrechten en voor de economische ontwikkeling in de wereld,’ aldus het comité. In het Nobelrapport werd impliciet toegegeven dat hij destijds, in 1978, de prijs eigenlijk al had moeten delen met Begin en Sadat. Dat het nu pas gebeurde, had volgens sommigen ook te maken met de onvrede over de koers van George W. Bush. Door Carter te eren, wilde het Nobelcomité een statement maken dat conflicten en oorlogen niet de weg voorwaarts hoefden te zijn.
De waardering die hij als ex-president oogstte in het buitenland was aanzienlijk. Toch kreeg hij ook in eigen land door de jaren heen meer waardering. Eerst zagen zijn landgenoten hem vooral als ‘een geweldig ex-president, maar weinig succesvol in het Witte Huis.’ Na verloop van tijd begonnen historici zijn daadwerkelijke nalatenschap in het Oval Office zorgvuldiger te beoordelen. Zo wees men erop dat hij belangrijke stappen had gezet in de deregulering van sectoren als luchtvaart en transport, dat hij de mensenrechten verankerde in het buitenlandse beleid, en dat hij de basis legde voor het latere economische herstel door de benoeming van Paul Volcker als voorzitter van de Federal Reserve.
Habitat for Humanity en andere projectenTot op hoge leeftijd bleef Carter politiek actief. Velen kennen de beelden van de hoogbejaarde oud-president die nog huizen bouwde voor de hulporganisatie Habitat for Humanity. Hij deed dat niet alleen als symbolische geste; hij klom werkelijk het dak op, timmerde, verfde en zette zich fysiek in. Deze levenshouding werd geïnspireerd door zijn christelijk geloof, dat hij oprecht beleed. Iedere week gaf hij, tot hij fysiek niet meer kon, nog les in de zondagsschool van de plaatselijke baptistenkerk. Mensen van over de hele wereld trokken naar Plains om een glimp van hem op te vangen en iets van hem te horen.
Ondertussen bleef het Carter Center wereldwijd verkiezingen monitoren en gezondheidszorgprojecten opzetten. Zo is het uitroeien van de Guinea-worm misschien wel het meest opmerkelijke succesverhaal: van miljoenen besmette mensen in de jaren tachtig naar slechts een handvol gevallen in de afgelopen jaren. Carter zei eens dat hij graag nog zou meemaken dat deze wormziekte volledig tot het verleden zou behoren. Hoewel dat tijdens zijn leven net niet lukte, kwam men behoorlijk dicht in de buurt.
Carter als moreel baken, maar ook bekritiseerdMet de opkomst van polariserende figuren als Donald Trump kreeg Carters oude presidentschap een nieuwe glans in de ogen van veel Amerikanen. Men zag hem als een moreel kompas: de man die na Watergate en Nixon weer eerlijkheid en bescheidenheid in het hoogste ambt had teruggebracht. Schandalen als die bij Nixon of Trump lieten Carter extra stralen: hij was nooit in opspraak geraakt om persoonlijke verrijking of machtsmisbruik. In zijn thuisstaat Georgia koesterden de inwoners hun beroemdste dorpsgenoot. In Plains was hij nooit echt weggeweest.
Tegelijk hadden tegenstanders nog altijd kritiek op Carters soms ‘belerende’ optreden. Hij kon streng en onbuigzaam zijn in zijn idealen. Zo stuitte hij in Israël op woede toen hij het woord ‘apartheid’ gebruikte voor de Palestijnse situatie. Ook in het openbaar bekritiseerde hij later presidenten die een andere koers namen dan hij wenselijk achtte, iets wat ex-presidenten vaak proberen te vermijden. Maar Carter trok zich daar weinig van aan: hij volgde zijn eigen weg, of dat zijn opvolgers nu beviel of niet.
Het laatste hoofdstuk: kwakkelende gezondheid en overlijdenDe laatste jaren van zijn leven waren getekend door gezondheidsproblemen. In 2015 werd bekend dat hij kanker had, maar hij bleef zo lang mogelijk actief: hij gaf interviews, stond pers te woord en bezocht waar hij kon nog internationale bijeenkomsten. In februari 2023 kondigde de familie aan dat hij hospicezorg zou ontvangen. Dat betekende dat Carter er zelf voor koos geen verdere medische behandelingen meer te ondergaan om zijn leven te verlengen. Hij gaf aan ‘volkomen vrede te hebben’ met wat zou komen.
In november 2023 verloor hij zijn echtgenote en levenspartner Rosalynn Carter, met wie hij 77 jaar getrouwd was. Toen haar dood bekend werd, zei Carter in een zeldzame mededeling dat hij zich geen leven zonder haar kon voorstellen. Kort na haar overlijden verslechterde ook zijn eigen gezondheidstoestand.
Op zondag 29 december 2024 overleed Jimmy Carter in zijn huis in Plains, omringd door zijn naasten. Eerder al had zijn zoon het nieuws laten doorsijpelen in de pers. Het Carter Center plaatste een eenvoudige aankondiging op sociale media: “Onze oprichter, voormalig president Jimmy Carter, is vanmiddag in Plains, Georgia overleden.”
NalatenschapDe vraag of Carter de geschiedenis ingaat als een ‘mislukt’ president of als een ‘visionair en moreel baken’ zal de komende jaren mogelijk nog vaak gesteld worden. Duidelijk is wel dat hij de Amerikaanse politiek heeft getoond dat eerlijkheid en eenvoud ook in het Witte Huis kunnen leven, al lopen die eigenschappen soms stuk op de wetten van de politieke praktijk. Zijn vier jaar in Washington waren ongetwijfeld tumultueus en problematisch, maar sommige van zijn destijds verguisde beslissingen worden met terugwerkende kracht positiever beoordeeld.
Wat betreft zijn leven na het presidentschap, daarin was Carter onbetwist fenomenaal. Hij veranderde voorgoed de vraag: wat doet een voormalige president met de rest van zijn dagen? In plaats van zich te verrijken of fulltime in de schaduw te genieten van privileges, koos Carter voor intensieve, onbetaalde hulp aan conflictgebieden, stichtte hij een uniek centrum voor democratie en mensenrechten, en liet hij zich tot op hoge leeftijd niet tegenhouden door gezondheidsklachten. De Nobelprijs voor de Vrede en de grote internationale erkenning die hij kreeg, zijn maar enkele van de vele onderscheidingen die hij in de loop der jaren ontving.
Bovendien toonde hij zich altijd vergevingsgezind en benaderbaar, zowel in zijn thuisgemeente als ver daarbuiten. In een land als de Verenigde Staten, dat soms cynisch kan zijn over de machthebbers in Washington, was hij een zeldzaam voorbeeld van iemand die, na zijn politieke loopbaan, dichter bij zichzelf en bij de mensen kwam dan ooit. Wie Carter enkel beoordeelt op de mislukkingen tijdens zijn presidentschap – inflatie, energiecrisis, de Iraanse gijzelingscrisis – miskent dat hij in zijn latere werk miljoenen mensen hoop bracht.
Het afscheid van Jimmy Carter voelt voor veel Amerikanen als het einde van een tijdperk. Hij leefde een ‘epic American life,’ zoals een van zijn biografen zei. Van de armoede en segregatie in het rurale Georgia in de jaren twintig tot de schermen van de macht in Washington, en van daaruit naar de uithoeken van de wereld met diplomatieke missies. En tot slot terug naar Plains, een dorpje met nog geen duizend inwoners, waar hij zijn geloof, familie en levensmissie tot het eind trouw bleef.
Woorden ter nagedachtenis Carter had voor ogen dat hij de wereld een stukje beter wilde achterlaten dan hij hem had gevonden. “Mijn geloof eist, en dit is niet onvoorwaardelijk, dat ik doe wat ik kan, waar ik ook ben, wanneer ik kan, zo lang als ik kan, met wat ik heb,” zei hij ooit. Die boodschap van dienstbaarheid en naastenliefde gaf hij ook in zijn laatste levensfase door, zowel in zijn zondagsschool als via het Carter Center. Zo luidt een van de lessen die hij de wereld naliet: zelfs in politiek roerige tijden is er ruimte voor integriteit en menselijkheid.
Voor nu is het Amerikaanse verdriet om zijn overlijden groot: hij was niet alleen een president, maar ook een vader, grootvader, buurman en dorpsgenoot. De staat Georgia rouwt om het verlies van een man die diep geworteld was in de gemeenschap. Het land als geheel herdenkt een president die de transitie van Watergate naar een nieuw vertrouwen begeleidde, maar ook iemand die liet zien dat politiek niet alles is. De werkzaamheden van het Carter Center zullen ongetwijfeld worden voortgezet, geïnspireerd door de idealen van hun oprichter. Zo blijft er, ook na zijn dood, een nalatenschap van verzoening en fatsoen bestaan.
Met het overlijden van Jimmy Carter verliest de wereld niet slechts een voormalige Amerikaanse president, maar ook een onvermoeibare vredestichter en een man die in zijn nederigheid en toewijding generaties heeft aangesproken. Zijn eeuwige glimlach, zijn ijzeren wil om iets te betekenen voor mensen in nood, en zijn vrome, maar niet wereldvreemde moraal maakten hem tot een uniek icoon in de moderne geschiedenis van de Verenigde Staten. Dat hij 100 jaar oud mocht worden, staat symbool voor de duurzaamheid van zijn invloed. Hoe zeer zijn presidentschap ook controversieel mag zijn geweest, zijn leven als ‘ex-president’ zal veel langer naklinken in de geschiedenisboeken. De wereld neemt afscheid van Jimmy Carter, de pindaboer uit Plains die vroom en eerlijk genoeg was om te proberen het verschil te maken en die in menig opzicht daarin geslaagd is.
Source: Fok frontpage