Sergio Pérez was vanaf 2021 Formule 1-coureur bij Red Bull Racing en presteerde in zijn eerste drie jaar gewoon goed. Hij stond dan wel in de schaduw van teamgenoot Max Verstappen, maar het onderlinge verschil in score was niet eens heel erg groot.
Afgelopen seizoen kwam daar verandering in. Het puntenverschil (437 om 152) was dit jaar veel groter dan voorheen. Was Pérez dan ook meteen de minst scorende teamgenoot (van een team dat streed om de titel) aller tijden? We lichten alvast een klein tipje van de sluier op: Nee dat was hij bij lange na niet.
Hoe hebben we dit bepaald? We hebben gekeken naar welke teamgenoten 25 procent of minder van het totaal aantal punten van het team scoorde en dat het team in de top-twee van het constructeurskampioenschap finishte.
Emerson Fittipaldi scoorde alle punten voor Lotus
Foto door: Sutton Images
Emerson Fittipaldi: 61 punten (100%)
David Walker en Reine Wisell: 0 points (0%)
Als we het hebben over slecht scorende teamgenoten, dan moeten we naar 1972. Fittipaldi was de enige coureur die dat jaar voor Lotus een punt wist te scoren. In de seizoensopener in Argentinië wist de legendarische coureur al wel genoeg, want daar werd Walker gediskwalificeerd vanwege hulp van buitenaf. Dat seizoen trok Fittipaldi helemaal solo de coureurs- en constructeurstitel binnen, mede dankzij vijf zeges in twaalf races.
De teamgenoten hadden veel meer moeite met de Lotus. Walker mocht het seizoen beginnen voor de formatie, maar hij had nogal moeite met het heel houden van de wagen. Als hij de finish wel zag, kwam hij niet verder dan P9. In zijn laatste vier races viel hij uit, waarna Wisell het mocht proberen. Ook hij kreeg het niet voor elkaar om met de Lotus punten te scoren.
Jim Clark was in 1963 heel sterk
Foto door: Motorsport Images
Jim Clark: 54 punten (98,2%)
Rest van het team: 1 punt (1,8%)
Jim Clark pakte in 1963 een van zijn twee titels en won dat jaar zeven van de tien races (met zeven poles). In het constructeurskampioenschap was hij nagenoeg de enige die een rol speelde voor Lotus. Wat ook niet meehielp waren de vele wisselingen bij het tweede zitje. Trevor Taylor, Peter Arundell, Mike Spence én Pedro Rodriguez mochten minstens een keer opdraven.
De oplettende lezer had al gezien dat er een punt door een andere coureur werd gescoord, dat was Taylor. Hij werd zesde in Monaco. Toch telde dat punt voor het constructeurskampioenschap niet mee, want in die tijd telde alleen de score van de best presterende rijder mee in de strijd tussen de teams. En die constructeurstitel ging ook naar Lotus.
Ukyo Katayama, Michael Schumacher en Jos Verstappen tijdens de persconferentie.
Foto door: Ercole Colombo
Michael Schumacher: 92 punten (89,3%)
Jos Verstappen, JJ Lehto en Johnny Herbert: 11 punten (10,7%)
In 1994 trok Michael Schumacher nagenoeg alleen de kar voor Benetton. Jos Verstappen werd ergens aan het begin opgetrommeld om de geblesseerde JJ Lehto te vervangen, maar kon het niveau van Schumacher niet aantikken. Schumacher won namelijk zijn eerste wereldtitel. Aan het einde van de streep hield hij na de curieuze slotrace in Australië een punt over ten opzichte van grote concurrent Damon Hill.
Schumacher werd dus kampioen, maar Benetton lukte dat niet. Het team werd tweede, achter Williams. Verstappen was er al niet meer bij. De vader van de nu viervoudig wereldkampioen Max Verstappen moest na de tweede race even toekijken toen Lehto terugkwam, keerde daarna weer een aantal races terug en werd twee races voor het einde weggestuurd en vervangen door Herbert. Werd het daar beter door? Nee, want Herbert finishte in de twee races niet.
Michael Andretti en Ayrton Senna
Foto door: Ercole Colombo
Ayrton Senna: 73 punten (86,9%)
Michael Andretti en Mika Häkkinen: 11 punten (13,1%)
In 1993 won Alain Prost met 26 punten voorsprong op Ayrton Senna zijn vierde en laatste wereldtitel. McLaren finishte ook tweede bij de constructeurs achter Williams, maar dat gat was voor die tijd echt gigantisch. 168 punten scoorde Williams, maar 84 - dus precies de helft - voor McLaren. Het grote verschil werd gemaakt door de tweede coureurs.
Bij McLaren kreeg de Amerikaan Michael Andretti de kans. Dat liep uit in een fiasco. Andretti werd slechts elfde en viel zeven keer uit, precies het totaal aantal punten dat hij scoorde. Drie races voor het einde moest hij plaatsmaken voor een toen nog aanstormend talent: Mika Häkkinen. De Fin viel dan wel twee keer uit, maar kwam daarnaast in Japan op het podium terecht. Andretti keerde niet meer in F1 terug.
Damon Hill en Ayrton Senna
Foto door: Motorsport Images
Damon Hill: 91 punten (77,1%)
Rest van het team: 27 punten (22,9%)
Het is niet helemaal prettig om dit te schrijven gezien de tragiek, maar in het rijtje hoort ook Williams in 1994. Het team begon het jaar met het ijzersterke duo Damon Hill en Ayrton Senna, maar na de dood van laatstgenoemde was de tweede coureur niet sterk genoeg. Waar Hill om het kampioenschap vocht met Schumacher, hij verloor die op een punt, konden David Coulthard en Nigel Mansell niet heel veel betekenen. Zij scoorden samen 27 punten en eindigden zo als achtste en negende in het WK.
In de slotrace van het jaar werd het 'hoogtepunt' van de tweede rijder genoteerd. Mansell scoorde in Australië een pole en won de race waarin Schumacher en Hill beiden uitvielen. Ondanks dat men bij Williams in mineur was vanwege het mislopen van het coureurskampioenschap, was Mansell wel blij. Hij omschreef het als "een ware opluchting". Het zorgde er namelijk voor dat hij zijn reeks aan jaren met een zege verlengde, en die liep al sinds 1985.
Jenson Button en Takuma Sato.
Foto door: Motorsport Images
Jenson Button: 85 punten (71,4%)
Takuma Sato: 34 punten (28,6%)
Tot aan 2024 was het grootste onderlinge verschil van dit millennium tussen Sato en Button, in het voordeel van laatstgenoemde. Button scoorde negen podiumplaatsen, Sato pakte er maar een. Dat was een derde plaats tijdens de GP van Amerika op het Indianapolis Motor Speedway. Dat podium was a sign of things to come, want in 2017 en 2020 won hij de Indianapolis 500.
Max Verstappen en Sergio Pérez.
Foto door: Michael Potts / Motorsport Images
Max Verstappen: 429 punten (73,8%)
Sergio Pérez: 152 punten (26,2%)
Technisch gezien telt deze volgens onze eigen maatstaf niet helemaal mee - Red Bull werd derde bij de constructeurs -, maar soms moet je de regels in je voordeel ombuigen. In de eerste vijf races van het jaar was Pérez helemaal zo beroerd nog niet, want in de eerste vijf GP's stond hij vier keer op het podium, maar daarna ging het bergafwaarts. In de zeventien races die volgden scoorde hij vier DNF's en geen podiumplek meer. Het bracht Pérez een matige achtste plek in het WK.
En ja, technisch gezien is het percentage van 26,2 procent ook niet laag genoeg, maar het laat wel zien dat het allerminst best was. Wat had Christian Horner graag wat meer uit Pérez gehaald.
Alain Prost en Niki Lauda.
Foto door: Sutton Images
Niki Lauda: 72 punten (50,2%)
Alain Prost: 71,5 punten (49,8%)
We hebben de grootste verschillen gehad, maar wat is het kleinste verschil? Daarvoor moeten we terug naar 1984. Niki Lauda en Alain Prost brachten McLaren het constructeurskampioenschap en Lauda had onderaan de streep nét een half puntje over ten opzicht van zijn teamgenoot. Waar kwam dan dat halve puntje vandaan?
Daarvoor moeten we terug naar de GP van Monaco van dat jaar. Prost leidde de race met gemak, maar Ayrton Senna voelde zich sterker in de stromende regen en naderde met rasse schreden. Prost riep meerdere ronden dat de wedstrijd afgebroken moest worden. Zijn wens werd ingewilligd, maar hij kreeg maar de helft van de punten - in plaats van negen, vierenhalf. Als hij die race uit had gereden en eerste of tweede was geworden, dan had hij de titel behaald.
Source: Motorsport