Meneer Nieland (91) is in een paar uur tijd heel erg achteruitgegaan. Longontsteking. Hij ligt in bed en reageert niet meer als ik tegen hem praat of hem aanraak. De arts heeft gezegd dat hij mogelijk komt te overlijden. Zijn kamer is volgestroomd met familieleden die met elkaar discussiëren of hij naar het ziekenhuis moet.
‘Hij heeft gezegd dat hij dat niet wil.’
‘Waarom niet?’
‘Hij vindt het te veel gedoe. En hij wil niet in een vreemde kamer liggen bij mensen die hij niet kent, zei hij.’
‘Maar begreep hij wel dat hij doodgaat als hij niet naar het ziekenhuis gaat? Hier kunnen ze niets voor hem doen.’
Wachten jullie maar eens af, denk ik bij mezelf. Mijn collega heeft de zuurstofconcentrator aangerukt en meneer Nieland erop aangesloten met een neusbrilletje, en ik duik de medicatievoorraad in. We komen een heel eind, maar het is waar dat het ziekenhuis bepaalde dingen heeft die wij niet hebben, die in deze situatie erg handig zouden zijn. Een infuus, bijvoorbeeld. Gelukkig zit meneer Nielands achterkleinkind (6) aan zijn bed.
‘Jij wilt verpleegkundige worden, toch?’
Ze knikt ijverig.
‘Het wordt tijd dat je praktijkervaring opdoet, want je bent al 6.’
Over de auteur
Thomas van der Meer schrijft voor de Volkskrant columns over zijn werk in een verpleeghuis. De namen in deze column zijn gefingeerd en sommige details zijn aangepast. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Als iemand te zwak is om te drinken uit een beker of met een rietje, lukt het vaak met een lepel nog wel. Ik doe het een keer voor en geef het glas water en de lepel daarna aan het kind. Met een frons van opperste concentratie op haar gezicht zet ze de lepel aan de lippen van haar overgrootvader. Hij slurpt het water op. Ze slaakt een opgewonden kreetje en roept:
‘Hij doet het!’
‘Wil jij het ook proberen?’, vraag ik aan haar broer (10), maar die wendt stuurs zijn blik af. Terwijl het achterkleinkind meneer Nielands vochthuishouding op peil houdt, help ik gauw een paar andere bewoners naar bed, en dan ga ik terug naar zijn kamer. Nu hebben de kinderen ruzie. Het meisje zegt dat ze opa water geeft, maar volgens haar broer hoor je dat zo niet te zeggen. ‘Opa is geen plant’, zegt hij.
Ik moet denken aan de reacties die ik kreeg op mijn vorige column, waarin ik vertelde over meneer Prinssen (86). Hij kwam een paar jaar geleden bij ons wonen terwijl hij al stervende was, en kon die laatste weken van zijn leven nog zo genieten van eten. Vooral van het kerstdiner. ‘Ik voerde hem stoofperen, aardappelgratin, entrecote’, schreef ik.
Sommige lezers vonden dat ongepast. In een boekhandel die ik bezocht om mijn nieuwe boek te promoten, kwam er een lezer op me af om te vertellen waarom. ‘Dieren in de dierentuin worden gevoerd’, zei ze. ‘Bewoners zijn geen dieren.’
In de ouderenzorg zijn bepaalde woorden not done, omdat ze als infantiliserend of marginaliserend worden beschouwd. Soms ben ik het daarmee eens en soms niet. Over ‘voeren’ ben ik nog aan het nadenken. Het woord ‘voeren’ heeft een andere betekenis wanneer het gaat over een dier dan wanneer het gaat over een mens. Als je een dier eten voorzet, zeg je dat je het voert. Bij mensen heet dat anders. Voorschotelen, opdissen, serveren. Maar wanneer iemand zelf niet kan eten en je het eten in de mond geeft, wordt dat ook ‘voeren’ genoemd.
‘Het gaat nu even niet om taal, kindertjes’, zeg ik tegen de ruziënde achterkleinkinderen. ‘Het gaat om de gezondheid van jullie overgrootvader.’ Het meisje houdt triomfantelijk het glas omhoog. Bijna leeg.
Een paar dagen later zit meneer Nieland alweer in de eetzaal. Zijn familie is op bezoek. Het 6-jarige achterkleinkind zit bij hem op schoot.
‘Nou, meneer Nieland. U bent flink opgeknapt’, zeg ik. Aan zijn blik zie ik dat hij even niet weet waarover ik het heb, en dan: ‘O, ja. Ik was ziek.’ Hij tuurt in de verte alsof hij zich iets van heel lang geleden probeert te herinneren. ‘Ik heb een paar dagen in het ziekenhuis gelegen, geloof ik.’
De 6-jarige verpleegkundige in spe en ik wisselen een blik van verstandhouding. Wij weten wel beter.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns