Onlangs schreef ik over een mama die in een speeltuintje tien minuten lang gebiologeerd naar haar telefoon bleef staren terwijl haar kleuterdochter haar tot drie keer toe riep. Vorige week keek ik naar een papa in een pannenkoekenhuis die erin slaagde een half uur lang niets van zijn twee jonge kinderen mee te krijgen.
Die kinderen liepen de hele tijd van een speelhoek naar het familietafeltje om de papa vertellen wat ze allemaal meemaakten. Dat ging helaas volledig langs die papa heen, want hij was geconcentreerd op zijn telefoon bezig. Zelfs toen de pannenkoeken werden geserveerd keek hij niet op. Die kinderen zagen de pannenkoeken wel en begonnen dus maar in hun eentje te eten.
Jonge ouders met drukke levens kunnen nu zeggen: ‘Het was vast iets belangrijks waarvoor die papa zijn telefoon nodig had. Je hebt geen idee hoeveel ouders tegenwoordig tegelijk moeten doen. Waar bemoei je je mee, digibeet?’
Ik kan niet bewijzen dat het níét belangrijk was wat die papa op zijn telefoon zat te doen. Ik wil slechts aandacht vragen voor een punt dat een logopedist in deze krant maakte: dat kinderen van zulk ouderlijk gedrag leren dat die telefoon ontzettend belangrijk is, dat die overal en altijd voorrang verdient.
Die logopedist reageerde op een stuk in het wetenschapskatern, waarin experts hun zorgen uiten over het effect van schermen op de ontwikkeling van jonge kinderen. Zij miste dat stuk één element: ‘het schermgebruik van ouders’. Ouders komen in haar praktijk met kinderen die de kleuren alleen in het Engels kennen of een gek taaltje spreken dat ze in hun eigen telefoonwereldje hebben opgedaan. Tijdens consulten ziet die logopedist dat ouders ‘op elk trillinkje van hun eigen telefoon reageren. Zelfs dat halfuurtje zijn ze niet ononderbroken betrokken bij de taalontwikkeling van hun kind (...). Het kind leert zo indirect: dat scherm is heel belangrijk, belangrijker dan ik.’
Wijlen Martin Bril had nu geschreven: tja.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns