Vaak vragen mensen me of ik het verschil tussen familie, vrienden, kennissen, tennismaatjes, en buren enerzijds, en jaarclubg’noten anderzijds eens wil toelichten.
Tja, zeg ik dan. Waar moet ik beginnen?
Gewoon, ergens, antwoorden ze vaak. Een ijsbergtopje mag ook, dan mijmeren wij er de rest wel bij.
Oké, oké. Een van de vele verschillen tussen enerzijds familie, vrienden, kennissen, tennismaatjes, buren, en anderzijds g’noten, is dat laatstgenoemden, om het met een fraai anglicisme te zeggen, ‘geen nee nemen voor een antwoord’. Doen ze gewoon niet.
Stel je hebt tennismaatjes, en je vertelt ze in de appgroep dat je niet kan komen dubbelen omdat je ‘snipverkouden bent’ – en je krijgt deze antwoorden: ‘Oké, leuk, tot straks!’ En: ‘Doe maar een mondkapje voor, vinden we niet erg.’ En: ‘Je klinkt niet verkouden, gaat gewoon door.’
Dit als amuse. Nu komt het echte eten. Hoewel, tegenwoordig krijg je talloze amuses, valt me op. Alsof restaurants elkaar proberen af te troeven in een harde amusewedloop. Straks krijg je 47 amuses die je in een ‘door de kok geadviseerde volgorde’ dient op te eten.
Daarom nog een amuse. De buurtbarbecue, in onze tuin georganiseerd tijdens de kwartfinale van Oranje. Ruim van te voren appte ik: ‘Beste buren, vraagje, is het een idee om de barbecue in verband met het EK een weekje te verplaatsen? Aan het gejuich van afgelopen dinsdag te horen zijn er meer mensen die voetbal kijken.’
De buren: ‘Nee, we komen gewoon barbecueën. We zetten je tv in de tuin, zo gepiept.’
Ik: ‘Ja, maar het gaat dus niet door, helaas. Het was eigenlijk geen vraag, haha.’
De buren: ‘Maar het was wel ons antwoord, haha. Tot vrijdag!’ En: ‘Anders ga jij gewoon voetbal zitten kijken, wij vermaken ons wel.’ En: ‘We gooien wel een paar vegaburgers naar binnen. Jij was toch vegetariër?’
Oké, door naar het hoofdgerecht, derde kerstdag. Een van de jaarclubrituelen der g’noten is een kerstdiner op 27 december, exclusief voor de g’noten zelf, aanhang is niet welkom, en er wordt zelf gekookt. Vindt al sinds 1991 doorgang, moet ik erkennen, en altijd bij een der g’noten thuis. De koks zijn altijd dezelfde g’noten, moet ik ook erkennen, namelijk Bonkie en Rizz.
Bij sommigen is vaak, moet ik erkennen, bij anderen zelden. Mijn tellertje, moet ik erkennen, staat op twee, waarmee ik Europees gezien, ik erken het, in de onderste regionen bungel.
‘O ja, Buwalda,’ appte een tijdje geleden de praeses, ‘dit jaar is derde kerstdag bij jou, in Breda dus, we weten dat je bent verhuisd, en dat je weer een keuken hebt – dus geen gemaar.’
‘Ah,’ zei ik, ‘jammer zeg, ben d’r helaas niet bij dit jaar. Ik moet de drukproeven nakijken van mijn boek. Nachtwerk! Helaas geen Breda!’
Ik moet erkennen dat het vorig jaar al hier zou zijn, maar toen had ik serieus geen keuken, we zaten ‘tussen keukens’, zoals de Amerikaan zegt. Helaas dreigt hetzelfde rondgeappte gat op de plek waar een keuken hoort te staan, deze editie mijn Waterloo te worden. ‘Nee, Buwalda,’ was een antwoord, ‘je hebt een keuken. Geef maar toe.’ En: ‘We komen hoe dan ook, Buwalda, je kunt je drukproeven in je bed doen.’ En: ‘Als je zachtjes je drukproeven doet, vinden wij het geen probleem.’ En: ‘Je hoeft er niet bij te zijn, je keuken is genoeg.’ En: ‘Stuur even een foto van je keuken, als je durft. Dan komen we.’
Ik heb zojuist gedreigd uit de jaarclub te stappen. Daarop is me te kennen gegeven dat ik een opzegtermijn heb van een maand.
Source: Volkskrant columns