Home

Soms bekruipt me het gevoel dat ik me zo heb vereenzelvigd met het eufemisme dat ik er zelf een ben geworden

Door omstandigheden – een kleine sneeuwstorm in november – sliep ik weer in de kleine kamer in Amsterdam-Zuid waar ik ook al tussen 12de en mijn 19de had gelegen. Wat is het leven anders dan omstandigheden waarin men wat orde probeert aan te brengen.

Mijn oudste zoon, 20, kok van beroep, had het bed opgemaakt en een kaartje neergelegd: ‘Welcome back lieve A. Sorry dat het een beetje een troep is.’

Troep was een eufemisme. Maar ik heb leren leven met het eufemisme, sterker nog, soms bekruipt me het gevoel dat ik me zo heb vereenzelvigd met het eufemisme dat ik er zelf een ben geworden. Ook een geïmplodeerd huis blijft een huis, wil ik maar zeggen.

Ruim na middernacht kwam de jongen thuis, uit zijn broekzak haalde hij een in plastic gewikkeld visje dat hij in de keuken in een koekenpan gooide.

Ik trok mij terug op mijn kamer waar ik vaag de geur van gebakken vis meende te ruiken.

In de kamer waren nog restanten van mijn jeugd te vinden, alsmede overblijfselen van het liefdesleven van mijn oudste zoon.

Toen ik in de ochtend het huis verliet, sliep hij nog.

Omdat ik geen taxi kon krijgen nam ik de tram naar het centrum. Een oude man die meende zich niet te hoeven vasthouden viel tegen mij aan, sloeg daarbij mijn bril van mijn gezicht en werd vervolgens opgevangen door drie Duitse vrouwen. Een van hen mompelde dat de volle tram unerträglich was. Daar kon ik in komen, maar je moet het eufemisme trouw blijven.

Op de Nieuwezijds Kolk stapte ik uit. Hoewel het vroeg was besloot ik een haring te eten en ik kocht nog twee viskoekjes voor mijn jongste zoon.

Mijn vader kwam vaak thuis met viskoekjes voor mij.

Waar de man vandaan kwam wist verder niemand.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant columns

Previous

Next