Met terugkerende regelmaat wordt bericht dat er iets mis is bij het UWV, het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen. Dat is een overheidsinstelling die verantwoordelijk is voor het uitvoeren van een aantal verzekeringen, zoals de WW, de WIA, de Toeslagenwet, de Wajong, de Ziektewet en van nog veel meer wetten met afkortingen die je pas leert kennen als je ermee in aanraking komt.
Het UWV beoordeelt in hoeverre je in staat bent te werken en of je recht hebt op een uitkering. Dat is beslist geen sinecure, want het gaat om honderdduizenden mensen, van wie individueel moet worden uitgerekend of zij bijvoorbeeld voor 64 procent arbeidsongeschikt zijn, dan wel voor 39 procent. Uiteraard worden daarbij geregeld fouten gemaakt.
Als iemand een been breekt, is het tamelijk eenvoudig, maar er zijn allerlei ziekten waarbij de beoordeling veel gecompliceerder ligt. Je kunt de ene dag ziek zijn, de volgende dag beter en de dag daarna weer ziek. Sommige mensen zijn ook zeer bedreven in het simuleren van een ziekte, op internet vind je daarvoor allerlei handleidingen. Een arts die zulke beoordelingen moet maken, is niet te benijden. Leeftijd, gezondheid en ziekte vormen tezamen een enorm braakliggend terrein vol emotionele valkuilen.
Over de auteur
Max Pam is schrijver en columnist van de Volkskrant. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Een jaar of tien geleden heb ik eens op uitnodiging een toer gemaakt langs een aantal kantoren van het UWV. Van Haarlem tot Utrecht en Emmen werd ik geacht lezingen te geven voor oudere werknemers en voor anderen die de hoop hadden verloren om ooit nog aan het werk te komen. Het waren een soort peptalks, in de geest van: geef de moed niet op, kijk mij eens, ik doe na mijn 60ste ook nog volop mee in de maatschappij. Soms werden mijn praatjes gewaardeerd, maar soms ook helemaal niet. Dan riep iemand uit het publiek ineens keihard: ‘Wat weet jij er nou van om jarenlang werkloos te zijn!’
Er heerste altijd een spanning van bitterheid en woede, die soms zo hoog opliep dat zij helemaal werd geprojecteerd op de spreker van dienst. Zo erg dat ik mij weleens de boef uit een toneelstuk voelde, die na afloop bij de artiesteningang wordt aangesproken op zijn kwade bedoelingen. Naarmate de stad waar ik moest optreden groter was, werd de benauwenis van de arbeidszoekenden steeds nijpender en tastbaarder.
Toch heb ik ook veel geleerd van degenen die worden vermalen in het arbeidsproces. Het UWV balanceert op de rand van staat en vrije markt. Het is in wezen een nutsbedrijf, maar zoals zo vaak is de overheid niet in staat, of er niet op ingericht, om grote entiteiten op een efficiënte manier draaiende te houden. Dat hebben wij ook gezien bij de fiscus en de toeslagenaffaire. Telkens wordt beterschap beloofd, maar telkens kunnen die beloften niet worden waargemaakt.
Op die UWV-bijeenkomsten trachtte men werkzoekenden met lokale werkgevers in contact te brengen, in de hoop dat er banen of baantjes te vergeven waren, dat alles onder het genot van een drankje en een bitterbal. Ik liep daar tussendoor en hoorde soms verwarde, wanhopige of uitzichtloze pogingen tot sollicitatie. Sommige werkzoekenden maakten zich groot, anderen juist klein. Niemand kwam er ongeschonden uit, ook de werkgevers niet, die het toch voor het uitzoeken hadden.
Er waren ook ontroerende momenten. Ik herinner mij een man, ongeveer van mijn leeftijd, die zijn hele leven in de bijstand had gezeten. Hij liep verloren rond en het was duidelijk dat hij geen enkele behoefte had om werk te vinden. Op een gegeven moment kwam hij naar mij toe om in het kort zijn levensverhaal te vertellen. Hij had gewoon de middelbare school afgemaakt en had toen besloten zich ongeschikt te laten verklaren voor werk en een bijstandsuitkering aan te vragen. Die kreeg hij ook, want zo ging dat nog in de tijd dat de uitdrukking ‘werkschuw tuig’ als een geuzennaam werd opgevat. Hij kon toe met weinig geld en huurde een zolderkamer, waar hij ook de rest van zijn leven zou blijven wonen. Het nieuws volgde hij door de krant van zijn buurman te lezen en af en toe had hij vriendinnen, maar die bleven nooit lang.
Tot zijn eigen verbazing ging hij op die manier tamelijk gelukkig door het leven. Hij liftte weleens naar een andere stad en maakte wandelingen langs het strand, maar verder had hij geen ambities, waarmee hij mij deed denken aan de figuur Japi uit het verhaal De Uitvreter van Nescio. Maar Japi stapte ten slotte van een brug en het leek mij dat deze man bij het UWV dat beslist niet van plan was. Hij was in al die jaren weleens gevraagd te solliciteren, maar dan kwam hij altijd te laat, zodat de instanties het tenslotte daarbij maar hadden gelaten.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns