Knieën doen pijn, heupen stram, onderrug stroef, hamstrings stijf. Het is nog donker buiten. Hagel tikt tegen de ramen. Toch, shorts aan, shirt aan, sokken aan, fleecevest, fleecebroek. Naar buiten, op de fiets.
De harde wind blaast de laatste bladeren van de boomtakken, de kleuren van de herfst verdwijnen en talloze, nauwelijks van elkaar te onderscheiden tinten grauw nemen de wereld over. Het baksteen van de huizen, het asfalt van de wegen en de kalende bomen leveren zich nederig over aan de slagregens en hagelbuien. De lente eindeloos ver weg.
Over de auteur
Julien Althuisius is schrijver en voor de Volkskrant columnist over het dagelijks leven.
Ik zet mijn fiets neer bij de stalling van het meer. De westenwind blaast golven over het water. Het is te vroeg voor de wandelaars, te guur voor de sportklasjes. Fleecebroek uit, fleecevest uit, hardloopschoenen aan.
Er liggen bevroren hagelkorrels op het pad, rijp plakt op het gras. Heuvel op, bocht om en dan het pad volgen richting het meer waar de aalscholvers huizen. In de zandkommen van de duinen liggen hoopjes ijs, een van de plasjes waar ik voorbij ren is voor het eerst dit jaar bevroren. Het zandpad, altijd mul, is nu hard en hobbelig.
Bijna elke ochtend is hier iets te zien. Een jong hert dat de struiken in huppelt, een kudde konikpaarden, eigenwijze Schotse Hooglanders die de weg versperren. Een paar dagen geleden zag ik hier een vos die, toen ik vaart minderde, zo dichtbij kwam dat ik hem had kunnen aanraken. Zij laten zich vanochtend allemaal niet zien. Wel de buizerd, die hier zijn jachtgebied heeft. Hij scheert vlak voor me langs en verdwijnt in de bossen.
Zo ver weg is de lente eigenlijk niet meer, bedenk ik terwijl ik terugloop naar de fiets. We hebben een heel stuk herfst gehad, en dat ging prima. Maar dan bedenk ik dat september en oktober prachtig en warm en windstil waren, en dat van de Vier Grote Kutmaanden er nog niet een voorbij is.
Een paar uur later zoek ik de warmte van de stad op. In een café drink ik hete thee en eet ik een tosti. Buiten dwarrelt natte sneeuw door de grijze lucht. Daarna struin ik door de stad, bezoek een boekhandel, duik een kledingwinkel in en koop een broek. Als ik weer buiten kom, zijn de buien voorbijgetrokken. De paraplu’s verdwijnen. Plotseling is de hemel knisperend blauw. De zon geeft de gevels kleur, ramen weerkaatsen het zachte licht op de natte tegels van het plein.
Ik loop langs een knappe jonge politieagent, die met een knappe jonge vrouw van handhaving staat te praten. Hij leunt tegen zijn busje, heeft zijn jasje half open staan, een hand in zijn zak. Hij zegt wat, zij lacht. Hier wordt gewoon keihard geflirt. De zon schijnt verder. Lente.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns