De klimaattop in Bakoe is diep in de nacht geëindigd met een zwaarbevochten deal over klimaatsteun aan ontwikkelingslanden. Het is een afspraak waar arme landen niet blij mee zijn. Voor de een is de top mislukt, voor de ander laat het zien dat internationale samenwerking nog mogelijk is.
Het is een waarheid als een koe dat iedereen op een klimaattop een beetje ontevreden naar huis moet. Als 198 totaal verschillende landen het ergens eens over moeten worden, kan niemand helemaal zijn zin krijgen. Maar dit jaar is de ontevredenheid voor sommigen wel een stuk groter dan normaal.
Het ging nooit makkelijk worden om in de Azerbeidzjaanse hoofdstad Bakoe een akkoord te bereiken over internationale klimaatfinanciering. Klimaattoppen zijn al moeilijk genoeg. Als er aan het eind van de rit ook nog een gepeperde rekening verschijnt voor de 23 rijke landen die verplicht zijn om klimaatsteun te verlenen, wordt het er niet makkelijker op.
Je kan het dus als een succes zien dat het al die landen toch is gelukt om een akkoord te bereiken. Maar zo gauw de voorzitter met zijn hamer had geklapt om de deal te beklinken, bleek er nog veel woede in de zaal te zijn, die het eerste applaus als een donkere wolk overstemde.
De 300 miljard dollar aan klimaatfinanciering die rijke landen vanaf 2035 beloven is "een schamel bedrag, niet iets dat klimaatactie op gang kan brengen, waar ons land van kan overleven", zei de Indiase onderhandelaar Chandni Raina. Ze werd tijdens haar toespraak meermaals onderbroken door daverend applaus vanuit een groot deel van de zaal, waaruit bleek dat veel ontwikkelingslanden er zo over denken.
Dat het bedrag van 300 miljard onvoldoende is om de wereldwijde klimaatproblematiek aan te pakken, staat als een paal boven water. Wetenschappers hebben berekend dat arme landen biljoenen nodig hebben. Hoewel de klimaatsteun gaat verdrievoudigen ten opzichte van het huidige doel, is de echte vooruitgang beperkter. Alleen al door de inflatie komt het doel de komende tien jaar steeds dichterbij.
"De top is mislukt", concludeert klimaatonderzoeker Pieter Pauw van de TU Eindhoven daarom onomwonden. Een verdrievoudiging van de klimaatfinanciering is lang niet voldoende "terwijl de klimaatcrisis ons om de oren vliegt", zegt hij tegen NU.nl.
Het enige lichtpuntje is volgens hem dat er in de slottekst wel wordt erkend dat ontwikkelingslanden eigenlijk 1.300 miljard dollar per jaar nodig hebben. Dat bredere bedrag moet uiteindelijk uit allerlei verschillende bronnen komen, waaronder ook veel investeringen van bedrijven en banken.
De komende jaren is er werk aan de winkel om ervoor te zorgen dat deze geldstromen inderdaad op gang komen. Toekomstige afspraken kunnen mogelijk de juiste omstandigheden scheppen om dat mogelijk te maken, zoals duidelijkere afspraken over het afbouwen van fossiele subsidies of belastingen op vervuilende activiteiten.
Zo worden er dit jaar meer kleine stapjes gezet die later misschien wel bescheiden sprongetjes kunnen worden. Landen als China en Zuid-Korea, die op papier ontwikkelingslanden zijn, worden opgeroepen om vrijwillig klimaatsteun te verstrekken. Volgens Pauw is het een "gemiste kans" dat landen niet verder zijn gegaan, maar de EU ziet het als een eerste stap die de rigide verhoudingen tussen ontwikkelde en opkomende economieën later verder kan openbreken.
Op hun beurt zijn de Europese Unie, de Verenigde Staten en andere industrielanden dan weer ontevreden over het ontbreken van nieuwe stappen om de uitstoot omlaag te brengen. Zelfs het "herbevestigen" van de afspraken van vorig jaar, over het wegbewegen van fossiele brandstoffen, lukte niet. Vooral Saoedi-Arabië lag volgens ingewijden dwars.
Het roept zoals elk jaar de vraag op of dit langzame proces eigenlijk wel werkt. Kunnen we met deze kleine stapjes op jaarlijkse toppen de klimaatcrisis aanpakken, terwijl de orkanen, overstromingen en hittegolven ons om de oren vliegen?
Een zichtbaar vermoeide Ed Miliband, klimaatminister van het Verenigd Koninkrijk, wilde daar om kwart over vier 's nachts nog wel wat over zeggen in Bakoe. Het akkoord laat volgens hem juist zien dat 198 landen het ondanks alles eens kunnen worden. Te midden van oorlogen, politieke verdeeldheid en bezuinigingen blijven zij de strijd tegen de klimaatcrisis jaar na jaar handen en voeten geven.
HIj was het dan ook niet eens met de aanwezige activisten die herhaaldelijk riepen dat "geen deal beter is dan een slechte deal". Miliband heeft ervaring met 'geen deal': in 2009 was hij ook al klimaatminister tijdens de mislukte top van Kopenhagen. Die eindigde zonder akkoord over uitstootvermindering, al wist Miliband de meubelen te redden door ambitieuze landen in staat te stellen deze afspraak alsnog vrijwillig te ondertekenen.
"We hadden zes jaar nodig om van de mislukking in Kopenhagen te herstellen", zei Miliband zaterdagnacht. Toen werd in het Parijsakkoord een manier gevonden om toch gezamenlijk de weg naar minder uitstoot in te zetten.
"Natuurlijk gaat de transitie niet snel genoeg", aldus de Britse minister. "Sommige ontwikkelingslanden zullen teleurgesteld zijn dat het bedrag niet hoger is. Maar deze transitie is niet te stoppen. Het is een totaal andere wereld dan 2009. Dat is een heel belangrijke en optimistische gedachte."
Source: Nu.nl economisch