Er zijn weinig dingen die mij zo deprimeren als standje 69. Om eerlijk te zijn vind ik het hele fenomeen standjes nogal onzinnig: ga gewoon met elkaar naar bed en neem een houding aan, klaar. Standje 69 stemt me somber omdat het ontegenzeggelijk voortkomt uit een drang om tijd te besparen. Het vermengt het praktische met het sensuele, in zo’n mate dat het sensuele met de grond gelijk gemaakt wordt.
Standje 69 vormt een typisch staaltje rendementsdenken, een begrip dat een jaar lang redelijk centraal stond in mijn leven. Als beginnend student was ik namelijk betrokken bij de protestbeweging die in 2015 het Maagdenhuis bezette, wat een reactie vormde op het zielloze en almaar meer door financiën ingegeven beleid van de Universiteit van Amsterdam.
Over de auteur
Tobi Lakmaker is schrijver en columnist voor de Volkskrant. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit.
Het is inmiddels haast tien jaar geleden en ik denk dat ik er daarom wel eerlijk over kan zijn, maar het door financiën ingegeven beleid van de UvA interesseerde mij helemaal niets. Ik had wel iets anders aan mijn hoofd op mijn 20ste.
Toch was ik iedere demonstratie weer van de partij, omdat ik een slag demonstrant vormde die iedere protestbeweging stiekem nodig heeft: zij die met tegenzin hun zaterdag opofferen, omdat ze bang zijn anders scheef aangekeken te worden door mensen die ze zelf hoog hebben zitten.
Waarschijnlijk is deze houding erfelijk. Zo heeft mijn moeder ooit per ongeluk het hoofdkwartier van de Navo bestormd, omdat ze tijdens een demonstratie waar ze toch al geen zin in had bij het verkeerde, heimelijk geradicaliseerde groepje was gaan staan.
De avond dat het Maagdenhuis werd ingenomen, heeft ze me succes gewenst en een enorme hoeveelheid Sultana’s meegegeven. ‘Houd je taai, lieverd,’ zei ze.
In het Maagdenhuis zat iedereen op de vloer van de grote hal. Terwijl hier en daar het woord werd genomen door een woedende witte jongen van wie je zeker wist dat hij hier over twintig jaar glimlachend op zou terugblikken met een glas wijn, viel mijn oog op een blond meisje aan de andere kant van de ruimte.
Eigenlijk heb ik me de hele avond op haar geconcentreerd. Ze leek me in al die uren heel knap. Ze was ook knap, maar het ongelukkige was wel dat ze vooral vanuit de hoek van waaruit ik haar bekeken had heel knap was.
Feitelijk was dit de grootste openbaring voor mij tijdens de inname van het Maagdenhuis, samen met één andere gebeurtenis. Rond een uur of 12 ’s nachts betrad Eberhard van der Laan de ruimte, met zijn rechteroog achter een lapje terwijl zijn linkeroog verklapte erg graag ergens anders te zijn. Hij nam een slok water, haalde diep adem en zei:
‘Er is maar één stad waar dit mogelijk is: Amsterdam.’ Er steeg een waanzinnig gejoel op, iedereen vergat haar onderlinge tegenstellingen en zo werd me duidelijk dat niet alleen ik, maar wel meer demonstranten met hun hoofd bij iets anders zaten dan dat financiële beleid.
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant columns