Een moeder en puberdochter liepen het VU Medisch Centrum Amsterdam in, ze keken allebei chagrijnig. Het bezoek was een moetje. Allicht een oudtante over wie de hele familie dacht: waarom is ze nog niet dood? Of een ander familielid wiens ziekte en lijden niet eens walging opriepen, alleen lichte ergernis, zoals een mierenplaag ergernis oproept.
Kort daarvoor had ik naar een persconferentie van de burgemeester van Amsterdam gekeken die had beweerd dat Amsterdam er internationaal niet goed op stond. Ik heb sympathie voor die burgemeester, al geloof ik wel dat de helende kracht van mild stoïcisme consequent wordt onderschat.
Op de hoek van de Amstelveenseweg en de De Boelelaan stond een motoragent, een restant van de ‘zwarte nacht’ allicht, zoals de burgemeester het had genoemd. Terwijl ik met mijn zoon naar de tram liep vroeg ik me af wanneer ik voor het laatst preventief was gefouilleerd.
Nooit, besefte ik.
Ja, op Schiphol werd ik vroeger regelmatig in mijn ballen geknepen, maar dat hoorde er in die tijd gewoon bij. Fouilleren kon het niet worden genoemd, preventie allicht. Een poging tot lustmoord kan ook preventie zijn. Je liet het over je heen komen zoals een rectaal onderzoek. Niet dat ik dat laatste ooit heb meegemaakt, maar veel is slechts een kwestie van tijd.
Ik zou graag willen beweren dat het geknijp in mijn kruis me onveilig deed voelen, maar nee. Ik voel me zelden onveilig, het zal wel naïviteit zijn, privilege of een ander mankement.
De tram reed niet, daarom liepen wij maar in de richting van de motoragent. Stiekem in de hoop dat ik preventief gefouilleerd zou worden. Een kind kan niet vroeg genoeg worden geconfronteerd met het feit dat boven almachtige vaders almachtige motoragenten staan.
Helaas, de motoragent keurde ons geen blik waardig.
We werden weer eens niet gezien.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns