Het aantal ‘zeer zwakke’ basisscholen in Nederland is wéér gestegen. Op 1 november jongstleden waren er 43 zeer zwakke basisscholen, meldt de Inspectie van het Onderwijs. Vorig jaar waren het er 39, in 2022 nog 13.
Op het totaal van 6.562 basisscholen is 43 niet schokkend veel, maar ja, je zal er als kind maar op zitten. Grote kans dat je niet behoorlijk leert lezen, schrijven en rekenen en dat je schooladvies laag uitvalt. Die achterstand haal je nooit meer in. Zeer zwakke scholen zouden gesloten moeten worden, maar zo werkt het niet. De inspectie geeft zo’n school eerst een ‘herstelopdracht’ en dan nog een, dan volgt een gesprek – intussen zitten de leerlingen, die maar één schooltijd hebben, gewoon op die school.
De werkelijkheid is vermoedelijk beroerder. In 2024 berichtte de Onderwijsinspectie in haar jaarlijkse Staat van het Onderwijs dat ze een steekproef had gedaan onder 225 scholen, in het basis- en voortgezet onderwijs, waarbij de kwaliteit ‘diepgaand’ was onderzocht. Ruim 20 procent van die scholen kreeg het oordeel ‘onvoldoende’. Een vijfde! Dat percentage stond in vreemd contrast met de in het rapport genoemde percentages scholen – 97 procent (basisonderwijs) en 98 procent (voortgezet onderwijs) – die de kwaliteit op orde hebben.
Over de auteur
Aleid Truijens is schrijver en recensent en columnist voor de Volkskrant. Ze schreef romans en biografieën over F.B. Hotz en Hella Haase. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit.
Het raadsel is opgelost: de inspectie bezoekt te weinig scholen om te weten hoe het ervoor staat en baseert zich grotendeels op een papieren werkelijkheid, op aangeleverde documenten. Scholen worden bezocht als er aanwijzingen zijn dat het misgaat. Maar hoe weet je dat als je niet langsgaat?
Uit een voortreffelijke reportage van Nieuwsuur, op basis van opgevraagde cijfers over schoolbezoek, blijkt dat de inspectie het ministerie en de Tweede Kamer jarenlang verkeerd heeft geïnformeerd over die schoolbezoeken. Vanaf 2007 eiste de Tweede Kamer van elke onderwijsminister dat die de inspectie zou dwingen eens in de vier jaar alle scholen te bezoeken. Dat is sinds 2014 niet gebeurd. Over de periode 2007-2014 wilde de inspectie geen cijfers geven. In 2021 werd de vierjaarseis losgelaten, maar de inspectie beloofde ‘een fors deel’ van de scholen te bezoeken. Sindsdien werd twee derde van de scholen niet bezocht.
In allerijl stuurden minister Eppo Bruins en staatssecretaris Mariëlle Paul van Onderwijs een brief naar de Tweede Kamer, waarin ze erkent dat de inspectie tussen 2014 en 2019 een derde van de scholen niet elke vier jaar heeft bezocht. Daar was dus wel onthullende onderzoeksjournalistiek voor nodig. Inspecteur-generaal Onderwijsinspectie Alida Oppers wijt de misser in een interview in NRC aan capaciteitsgebrek, en die steekproef was niet representatief. Ook verwijst ze naar de schoolbesturen. Nu kun je de kwaliteit van onderwijs zeker niet aan besturen overlaten, maar het is de overheid die grondwettelijk verantwoordelijk is voor de kwaliteit.
Mariëlle Paul wist allang wat er mis was; er is al jaren gedonder met de inspectie. Haar voorganger, de gedwongen opgestapte minister Dennis Wiersma, had het aan de stok met Oppers; ‘oorlog’ in Oppers’ woorden. Zij was een van de vijanden die hij had gemaakt in zijn daadkrachtige aanpak van de onderwijsramp. Uit door NRC achterhaalde appjes van Oppers bleek dat ze woedend was op Wiersma, die meer schoolbezoeken eiste, scherper toezicht en een overzicht van de 10 procent slechtst presterende scholen. Geen gekke ideeën, maar Oppers voelde zich aangevallen. ‘Je niet veilig voelen is een nieuwe ervaring’, appte ze aan de secretaris-generaal van het ministerie.
Onderwijs verbetert niet bij toverslag door scherper toezicht. Maar weinig toezicht op slecht onderwijs, dat is rampzalig. De Onderwijsinspectie moet eens een flinke herstelopdracht krijgen.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns