Het was stil en donker toen ik aankwam in het Franse dorp. Nu is het licht en sijpelen de klanken van een accordeon mijn hotelkamer binnen. Door de openstaande klapdeuren zie ik een lavendelkleurig balkonnetje van gevlochten staal boven druivenbladeren die de patio bedekken, en verderop een kapsalon die Anaïs heet.
Daarachter de kalme bedrijvigheid van de ochtendmarkt in een door stokoude platanen gefilterd zonlicht. Oudjes knijpen in grote tomaten, jongeren wisselen in het voorbijgaan vluchtige kussen uit, de notenverkoper weegt zijn waar in een aluminium blik. Zijn walnoten veroorzaken een hol geratel, de amandelen klinken meer zoals grind. Langzaamaan worden de geuren van de kaasstal overvleugeld door die van garende kippen aan het spit. Een jonge vrouw in een lichtgroen jurkje (Anaïs?) hijst neuriënd het rolscherm van de kapsalon omhoog.
Ik besef dat Frankrijk dit alles niet voor mij doet, want Frankrijk heeft aan mij geen boodschap. Maar wat kan ik anders zeggen dan merci beaucoup?
Source: Volkskrant columns