Het bouwen van kleine flexwoningen werkt niet goed in de strijd tegen het huizentekort. De bewoners zijn vaak ontevreden omdat ze de woning te klein vinden en verhuizen al na een paar jaar.
Dat stelt het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), een belangrijke adviseur van het kabinet.
Flexwoningen zijn kleine, verplaatsbare woonunits die snel kunnen worden gebouwd. Ze zijn bedoeld voor mensen die anders moeilijk aan een huis komen, bijvoorbeeld jonge werkenden, statushouders, studenten of mensen die net zijn gescheiden. De units komen vaak op plekken waar andere woningbouw niet mogelijk is. Ook kan het om omgebouwde kantoren gaan.
Volgens het ministerie van Volkshuisvesting zijn afgelopen jaar ruim vijfduizend flexwoningen gebouwd. Naar verwachting komen er dit jaar ruim achtduizend bij.
De flexibele panden kunnen volgens sommige experts helpen bij het terugdringen van de problemen op de huizenmarkt. Maar het PBL zet daar kritische kanttekeningen bij.
De woningen zijn vaak maar 20 of 30 vierkante meter. Daardoor zijn veel bewoners ontevreden en vertrekken ze na een enkele jaren naar iets groters.
"Grootschalige complexen met erg kleine woningen op minder populaire plaatsen kunnen leiden tot zeer veel doorloop en ontevreden bewoners. Dat hebben we ook gezien bij vergelijkbare projecten uit de jaren tachtig", zegt Jolien Groot, woningmarktspecialist bij het PBL.
Ze doelt daarmee op de zogeheten HAT-woningen (Huisvesting Alleenstaanden en Tweepersoonshuishoudens). De politiek heeft daar in de jaren zeventig en tachtig op ingezet om de woningnood destijds een halt toe te roepen.
Volgens Groot hadden deze projecten wisselend succes. Zo zijn verschillende complexen uit die tijd inmiddels gesloopt. Al zijn andere juist wel gewild, vooral de woningen die iets groter zijn en dicht bij voorzieningen liggen, zoals een supermarkt. Overheden en projectontwikkelaars zouden hiervan moeten leren en zich moeten richten op permanente woningen die wat ruimer zijn.
Het bouwen van kleinere flexwoningen kan wel nuttig zijn, maar dan vooral voor groepen die tijdelijk onderdak nodig hebben zoals studenten en statushouders. In andere gevallen zouden overheden en projectontwikkelaars zich beter kunnen richten op permanente woningen die wat ruimer zijn.
"Bouw niet te klein, niet te grootschalig op onpopulaire locaties en zorg ervoor dat er gemeenschappen kunnen ontstaan waar buren naar elkaar omzien", zegt Groot. "Wij zien dat minimaal 50 vierkante meter vaak de voorkeur heeft. Bij de grote woningbouwambities van Nederland is het belangrijk dit niet te negeren."
Source: Nu.nl economisch