Mike, mijn broer, had een raar dagje. Er werd aangebeld, vertelde hij, maar hij zat in zijn pyjama met zijn haar omhoog op de bank, negeren dus. Maar het ding ging nogmaals, waar hij helemaal niet van houdt.
Het bleek een vriend, hij had een nieuwe auto, of Mike naar beneden kwam om te kijken. Ja maar ik zit nog in mijn pyjama, zei Mike, die er helemaal niet van houdt om ongewassen naar buiten te gaan, maar dat vond die vriend geen enkel probleem, effe snel joh, geen kip op straat, kom gewoon!
Dus oké, daar ging Mike, op z’n pantoffels de trappen af, waar hij ook al geen liefhebber van is.
Als Mike dan ongewassen in zijn pyjama even snel een rondje om die auto heeft gelopen, houdt hij er helemaal niet van wanneer die vriend per se, heel kort maar, een stukje wil rijden! Ik ken Mike, die zegt waarop het staat, nee joh, niet in mijn pyjama met mijn haar omhoog, ik moet nog ontbijten joh, nee-nee, echt niet. Maar ik ken Mikes vrienden van de verhalen, die geven niet op in zulke gevallen. Ah joh, Mike, effe snel man, niemand herkent je zo, ik zet wel een raampje open, ik heb je haar nu toch al gezien.
Houdt Mike helemaal niet van. Maar ja, hij is de beroerdste niet, en hij stond nu toch al op straat met zijn haar omhoog.
‘Zit je goed, Mike?’
Daar gingen ze al, door Venlo, slakkegangetje natuurlijk, drempels, stoplichten. Als Mike de nieuwe auto echt wilde leren kennen, zei die vriend, dan moesten ze eigenlijk een stukje snelweg pakken. Even snel d’r op, er weer af bij Grubbenvorst, en zoef weer terug, hopla. Mike had verder niks mee, geen telefoon, geen geld, dus dat hopla sprak hem aan.
Op de snelweg zagen ze meteen dat de overkant dichtzat, de hele baan naar Venlo stond vol en stil. File zover je kon kijken. Wel hop dus, maar geen la. Houdt Mike niet van. Dan maar Grubbenvorst in, waar de vrienden sluiproutes kenden. De afrit stond muurvast, wat na een half uur ook voor de sluiproutes bleek te gelden. Oké, dan maar achterom naar Blerick.
Blerick was obstipaat. Helemaal verstopt met dinky toys, alle straatjes, pleintjes, bruggetjes. Nooit eerder gezien, zei Mike. Blerick uit, om het infarct heen naar Baarlo, daar met het pontje de Maas over.
Wat hadden ze zelf gedacht? Door naar Kessel, waar ze ook een pontje hebben. Mikes vriend is directeur, hij moest de zaak bellen, de kwartaalmeeting ging hij niet meer redden. Mike had andere problemen, hij moest ‘urinederen’– moest-ie lang geleden al, op de bank, thuis. Waar Mike helemaal niet van houdt, maar wat hij toch heeft gedaan, is met zijn haar omhoog in een weiland achter een boom in z’n pyjama over zijn pantoffels wateren.
Dan maar door naar Roermond, het werd toch al donker. Waar Mike geen liefhebber van is, is om bij een tankstation, terwijl zijn vriend binnen blikjes cola en broodjes frikandel aan het aanschaffen is, in zijn pyjama met zijn haar omhoog naast een fonkelnieuwe auto te gaan staan, op kapotte pantoffels de beentjes strekken, en dan bangige blikken oogsten. Dus ging hij maar een beetje onder de motorkap staan kijken.
Ondertussen duurde hop al vier uur. Mike maakte zich zorgen om het thuisfront. Zijn vriendin Lara had hem in pyjama, zonder schoenen of jas of telefoon, het pand zien verlaten – en dat was dat. Mikes vriend had al met zijn telefoon proberen te bellen naar Lara, maar Mike wist het nummer niet precies. ‘Het is heel erg’, begon zijn vriend toen ze Lara ten slotte te pakken kregen, ‘een enorm infarct’, waar Mikes vriendin, kon Mike horen aan haar kreet, helemaal niet van bleek te houden nu ze toch al in d’r rats zat.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns