In de mistige straat trok een jonge vrouw huilend een voordeur dicht. Onmiddellijk wist ik heel zeker dat het niet haar voordeur was, en dat haar tranen vloeiden om iets ernstigs dat zich zojuist daarachter had afgespeeld.
Haastig beende ze weg van de onheilsplek, maar al na een paar stappen moest ze houvast zoeken bij een paal. Daar ging het snikken over in een langgerekte wanhoopskreet, die mij door merg en been ging. Wat moest ik doen? Aan een ontredderde ziel loop je niet zomaar voorbij, maar niet iedereen heeft behoefte aan de troost van een wildvreemde. ‘Hé’, zei ik dus maar.
Toen ze niet veel later in de mist was verdwenen, leek het even alsof ik het me had ingebeeld; hoe de vrouw zich razendsnel aan me had vastgeklampt, trillend als een riet, steeds dezelfde woorden stamelend: ‘Ik hield zo van hem.’
De straat was leeg. Er zat een snotvlek op mijn schouder.
Source: Volkskrant columns