Televisie is zo goed geworden dat ze me alles interessant kunnen laten vinden. Met name dat verdomde Netflix, met zijn heerlijke series over sporten waar ik niets over wist, niets over hoefde te weten, en niets over wilde weten. Het is hun schuld dat ik inmiddels alles weet over formule 1, een onderwerp waar ik normaal gesproken met een wijde boog omheen zou sturen, gesteld dat ik de volgende bocht zou kunnen afknijpen en mijn achterligger op het rechte stuk geen DRS kon gebruiken.
Zie je, dat soort termen horen niet in mijn hoofd. Ineens kan ik meepraten over golf, basketbal, wrestling, noem maar op. Gewoon omdat Netflix de formule heeft gekraakt: maak het persoonlijk. De lui die deze sporten beoefenen zijn natuurlijk ook maar mensen, met vaders en moeders en muzieksmaken en gekke Playmobilverzamelingen en echtgenotes (m/v) die duidelijk uit zijn op hun geld maar ze wel enorm steunen in hun bizarre levens, triomfen en drama’s.
Mijn meest recente onderdompeling was in het American football, een sport waarvan ik toch vrij zeker dacht te weten dat er voorbij de cheerleaders en de confettikanonnen niets interessants te vinden was. Maar nadat ik de ene welbespraakte linebacker na de andere hoogbegaafde wide receiver heb kunnen volgen over de ongekende hoogten en diepe dalen die hun carrières kenmerkt, na meegeleefd te hebben met hun heilige jihad om ditmaal een procentje meer te kunnen geven bovenop de 239 procent die ze in de vorige wedstrijd al gaven, ben ik ongemerkt de regels en finesses gaan snappen van het spel, dat krankzinnig ingewikkeld en eindeloos boeiend blijkt te zijn.
Niet dat ik nu meteen seizoenskaarten voor de Utrecht Dominators of de Spijkenisse Scouts ga bestellen. Deel van de charme is histrionische extase die Amerikanen weten op te zwepen rond de wedstrijden. Het is groot, het is luid, het is kleurrijk.
Er zijn swingende fanfares, acrobatische dansmeisjes, ontploffingen, bizarre mascottes en een publiek dat weet dat het deel uitmaakt van de show. Het is de overtreffende trap van elke trap waar iets aan overtroffen kan worden. Het enige waar ze niet aan doen daar, is hooliganisme. Niet één halveliterbeker bier wordt op het veld gegooid, geen stoeltje wordt gesloopt, geen Cobra-5 wordt afgestoken.
Ik heb nooit gesnapt waarom het voetbal de hordes megolen die eromheen hangen zo omarmt. Want dat doen ze. Als de KNVB er vanaf zou willen, zou het zó gepiept zijn: als het tuig stout doet, dan trek je punten van hun ploeg af. Niet heel ingewikkeld. Mocht het moreel uitgedaagde deel van het sfeervak daar de nadelen niet van inzien, dan schoont de sport zich vanzelf op doordat clubs met hardnekkig tuig langzaam de ranglijsten afzakken ten faveure van clubs met leuke fans.
Klopt er iets niet aan die redenering? Ik denk het niet, en het zal wel heel vaak voorgesteld worden door boze moraalridders zoals ik, maar mijn onderbuik en ik hebben het erover gehad en het is echt een heel goed idee. Ik denk dat het niet gebeurt omdat er veel geld zit in grote clubs met tuig op de tribunes, en die moeten natuurlijk wel bovenaan blijven staan, anders verdampen die investeringen.
Maar goed, waar bemoei ik me mee, ik besteed mijn weekenden anders. Het kost alleen zo veel geld, al die politie elk weekend.
Over de auteur
Thomas van Luyn is cabaretier, presentator en columnist voor Volkskrant Magazine. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit.
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant columns