Het nieuws dat vanochtend om 04:00 uur Nederlandse tijd in Japan werd bekendgemaakt, komt niet als verrassing. Al maanden wordt er gespeculeerd over een samenwerking tussen Toyota en Haas F1, variërend van een titelsponsoring tot en met een verregaand technisch partnerschap. Het wordt dus dat laatste, waarbij Haas onder meer gebruik kan maken van de technische faciliteit van Toyota Gazoo Racing in Keulen en Toyota de populariteit van F1 commercieel kan benutten.
Toyota is geen onbekende in de koningsklasse van de autosport. Het Japanse merk was van 2002 tot en met 2009 actief in de Formule 1, destijds als volwaardig fabrieksteam met eigen auto's en krachtbronnen en vanaf 2005 ook als motorleverancier aan onder andere Jordan en Williams. Het merk betrad F1 na een succesvolle campagne in het WRC – met onder anderen Carlos Sainz sr. in de Toyota Celica en Corolla – en twee optredens (1998 en 1999) in de 24 uur van Le Mans met de GT-One. Parallel aan dat laatste avontuur kondigde Toyota begin 1999 aan vanaf 2002 zijn opwachting te maken in de Formule 1.
Toyota ging daarbij niet over één nacht ijs. Het zette een volledige F1-operatie op in thuisbasis Keulen – dus niet zoals gebruikelijk in het Engelse Motor Valley. Het personeel werd gevonden in de rangen van Toyota Motorsports GmbH dat eerder ook aan het Le Mans-project werkte en nu aan de slag ging met het ontwerpen en bouwen van de TF101. Na anderhalf jaar intensief testen, werd voor het debuut een compleet nieuwe auto gebouwd, de TF102.
Allan McNish in Australië tijdens de eerste Grand Prix van Toyota
Die auto kwam in de handen van Allan McNish en Mika Salo voor het eerst in actie tijdens de Grand Prix van Australië van 2002. McNish viel in die debuutrace uit, maar Salo finishte op de zesde plaats (destijds goed voor één punt), niet in de laatste plaats doordat het halve veld al direct na de start werd geëlimineerd. Toyota – dat volgens de geruchten met een van de grootste budgetten in F1 werkte – scoorde dat eerste seizoen nog één punt en eindigde als tiende (voorlaatste) in het WK.
McNish en Salo werden bedankt voor bewezen diensten en in 2003 vervangen door Olivier Panis en Christiano da Matta die overkwam uit de Amerikaanse ChampCar Series. Hoewel het team met de TF103 zestien punten scoorde, was de achtste plaats in het kampioenschap niet iets om over naar huis te schrijven. Ook in 2004 eindigde het team op de achtste plaats, waarna Toyota het met Jarno Trulli (die in 2004 al twee races was ingevallen) en Ralf Schumacher over een andere boeg gooide.
Ralf Schumacher en Jarno Trulli in 2005
Met de TF105 (de opvolger van de controversiële T104 die wel heel erg op de Ferrari 2003-GA leek) werd een nieuwe auto geïntroduceerd waarmee de weg omhoog werd ingezet. In 2005 scoorde Toyota vijf podiums, met de tweede plaatsen van Trulli in Maleisë en Brazilië als hoogtepunten. Het team eindigde zowaar op de vierde plaats in het teamklassement, maar kon die successen in de jaren daarna, mede door de overgang van de V10- naar de V8-motoren, geen vervolg geven. Tot en met 2009 werden nog eens acht podiumplaatsen bij elkaar gereden, maar beter dan die vierde plek van 2005 werd het niet. In 2009, te midden van de wereldwijde crisis die ook de auto-industrie harde raakte, besloot de directie van Toyota de stekker uit het geldverslindende project te trekken.
Jarno Trulli in Abu Dhabi tijdens de laatste Grand Prix van Toyota
Even was er nog sprake van een doorstart á la Honda en Brawn GP door het Servische Stefan Grand Prix, maar dat project kwam nooit van de grond. Ook het debuterende HRT toonde kort interesse in de chassis' van Toyota, maar de Spanjaarden gingen uiteindelijk in zee met Dallara. Williams, dat in 2009 nog als enige andere team met Toyota-krachtbronnen reed, koos in 2010 voor de Cosworth CA2010 V8 en zo kwam er een roemloos einde aan een ambitieus avontuur.
Source: Motorsport