Home

Van de week had ik een manisch buitje. Apart wel, hoe het aanvoelde

In Limbabwe hadden we buren met een Afghaanse windhond, Asfar heette hij, en die was maanziek. In de vooravond, als de bleekgele schijf begon te klimmen, kwam hij in de tuin en hief daar met zijn snuit hemelwaarts een hartstochtelijk huilen aan. Die hond is een melancholicus, zeiden mijn broertjes en ik tegen elkaar.

Wij hadden ook een hond, een zwartwitte cockerspaniël, Astérix, maar die kende behalve de bodem van zijn etensbak geen diepe gronden, ik zou zeggen dat hij aan de simpele kant was, maar vooral: nuchter. Toch, een keertje maar, toen Asfar weer eens stond te howlen, spoedde hij zich naar buiten, stelde zich coyote-achtig op bij de schutting – wat gaan we nou beleven, dachten wij – en begon ook, samen met zijn buurhond dus, naar de maan te huilen.

Halverwege de sessie hield Astérix abrupt op, onzin, zagen we hem denken, die hond is gek, en kwam weer naar binnen. Ik moest altijd aan deze actie denken wanneer ik zelf een manische bui had. Er bestaat een verschil tussen een manische bui, zie onze hond, en het complete doorbranden, de permanente schizofrene manie, zie Asfar. (Manisch komt trouwens van maan, lees ik. Maar waarom zeggen de Engelsen dan manic en niet moonic?)

Griezelig blijft het, want het schijnt wel zo te beginnen, de stap door de spiegel, die onomkeerbaar is. Het begint met een manische bui, is me ooit door een schrijver uitgelegd toen ik nog biechtvader was bij Uitgeverij L. J. Veen. Hij had een keer in één nacht geprobeerd zijn slaapkamer te verven, wat dermate stressvol verliep dat hij tegen het ochtendgloren dacht dat hij het heelal stond te beitsen. Later, op weg naar zijn werk, geloofde hij dat hij de Koning van Katoren was, en…

Telefoon, momentje. Ik nam op. Het was Jan Terlouw – ik lieg niet. ‘Dag meneer Jan’, zei ik, knipogend naar de schrijver tegenover me, ‘nee hoor, u stoort niet’, me realiserend wat er gaande was, ik zat zowel te praten met de bedenker van de Koning van Katoren, als met de Koning van Katoren zelf, alarmbellen, trigger warning heet zoiets officieel, nu niet per ongeluk ‘meneer Terlouw’ zeggen, mogelijk zou de schrijver zich met een achterwaartse salto door zijn spiegel storten, plons, de Oosterschelde in, de oorlogswinter der gekte, en dan werd het nog oppassen.

(In de politiek zie je het ook, Mark Rutte is niet maanziek te krijgen, Pieter Omtzigt al makkelijker, en Vladimir Poetin is het!)

Ik kom erop, omdat ik van de week zelf een manisch buitje had. Apart wel, hoe het aanvoelde. Ik had ’s nachts een voorwoord geschreven, in een geweldig tempo een paar duizend woorden, lucide als een glas nytroglycerine, en had om half vijf ’s nachts nog even mijn vriendin Jet uit haar bed getrommeld, kom snel, ik ben het bestand kwijt, het is WEG, HELEMAAL WEG, waarna ik het ineens weer terugvond, haha, verkeerd gekeken, hilarisch! Ik mail het naar ze! Verstuurd! Ben je niet blij voor me! Welterusten! Slaap maar weer door! Slaap!

Weinig later kwam de maan op, verkleed als de zon. De hele dag was ik in alle staten, ik luisterde obscure platen die ik tot het beste uitriep ooit gemaakt, de popmuziek moest herijkt worden, ‘Laura Nyro,’ appte ik mijn muziekvrienden, ‘waarom houdt Rolling Stone haar al vijftig jaar onder de pet?’

’s Avonds zat ik met een bord ongekend lekker eten voor Studio Sport, NEC - Heracles, en eigenlijk had ik nog nooit zo’n goeie wedstrijd gezien! Zag je die kopbal? Hoe hard die was? En hoe weinig het scheelde! Nog geen meter naast!

Een zeldzaamheid voltrok zich, een storing, testbeeld. ‘Leuk weer eens,’ riep ik ontroerd, ‘en wat een kleurenpracht! Dat rood, zie je dat? Zo bijzonder!’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant columns

Previous

Next