Ik moest een voorwoord schrijven. Ach, ik moet zoveel schrijven, ik ben een schrijver, heb je ooit een bakker horen klagen dat-ie een brood moest bakken? Nee, het is erger, heb je ooit een bakker een brood zien bakken over het bakken van een brood?
Nee, en nee. Tweewerf. Maar een voorwoord is dus geen halfje volkoren, is mij gebleken. Lang geleden, nota bene toen ik nog broodschrijver was, daar ga je al, moest ik Herman Brusselmans bellen en vragen wat hij van het subsidiëren van experimentele romans vond, en dat dan opschrijven, klaar is Kees, wat een schitterend beroep, waar is het misgegaan?
Brusselmans antwoordde dat hij erop tegen was, zoals je ook geen bakkers moest subsidiëren, omdat die dan broden gingen bakken die eruit zouden zien als de kut van een baviaan of de kathedraal van Genua, en die zou niemand willen opeten.
Ik begon, geef ik toe, onverstandig aan dat voorwoord. Mijn eerste zin luidde: ‘Over een voorwoord heeft Simon Carmiggelt ooit gezegd dat het net een politieagent is die je thuis komt ophalen om je naar een feestje te brengen.’
Hierna had ik geen zin meer. In mijn eigen voorwoord niet, in het lezen ervan als het eenmaal voor elkaar zou zijn, bedoel ik, laat staan om het eerst te gaan zitten schrijven. Carmiggelt had gelijk, ik sloeg voorwoorden altijd over, behalve als ze van Charlotte Brontë waren bij de boeken van haar jong gestorven zusters, dan wel van Karel van het Reve. Laatstgenoemde was er zo bedreven in, voorwoorden, dat de zaken zomaar omgedraaid konden uitpakken. Ik heb heel wat voorwoorden van hem gelezen zonder de boeken die er achteraan kwamen.
Dus Carmiggelt, wat zat je nou te bazelen, man, zei ik tegen mezelf, maar nee, die openingszin, hoe treffend ook, bleef me verlammen. Met een gezicht, is mij verteld, alsof ik in een volgescheten luier stond te kijken zat ik er uren voor mijn scherm naar te turen.
Dit hield weken aan, tot lang voorbij de deadline die mij was aangezegd. Helaas voor de aanzeggers van deadlines, types in monnikspijen met gezichten als kelderzwammen die klingelend met een koperen bel op je afkomen, ben ik, en vergeef me mijn homerische vergelijkingen, een soort radioloog.
Komt-ie. Zoals een radioloog als je hem een hand geeft meteen je verwelkte teerlongen ziet hangen, en ook je doodskop nog voor je ‘ik heb een raar hoestje’ hebt gezegd, zo zie ik dwars door een aangezegde deadline heen de dieper gelegen, werkelijke deadline schemeren. En geloof mij, die is altijd pas uren later (column) /weken later (voorwoord) /jaren later (roman).
Uiteindelijk heb ik drie weken te laat, na allerlei mislukte tweede en derde zinnen, in twee helse dagen tijd, dat voorwoord geschreven.
Mijn broer Menno is bakker, en richt geregeld bruidstaarten van zes verdiepingen op, en als hij vakantie heeft bakt hij voor de lol wel eens een brood in de vorm van een streekziekenhuis, maar dan loopt hij zijn bakwerkzaamheden niet eindeloos uit te stellen, laat hij vanuit de bakkerij weten. ‘Geen tijd voor’, appt hij – ach, het is allemaal zo logisch.
Daarom was het een groot geluk dat ik juist Karel van het Reve in een oud radio-interview hoorde vertellen dat hij Kees Fens in een oud radio-interview had horen vertellen dat hij, Kees dus, wanneer hij zeven uur de tijd had voor een column standaard eerst vijf hele uren uit zijn neus liep
te eten, en dat Van het Reve dat geruststellend vond, omdat hij dat ook deed.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns