De zon is nog niet op. Buiten is het koud en het bed is warm. Ga ik dit doen? Ja, zegt mijn vrouw, dit ga je doen.
Opstaan. Fleecetrui, fleecebroek, dikke sokken. Naar beneden, waar mijn oudste dochter al televisie zit te kijken. Kus op haar hoofd.
‘Doei, ik ga.’
‘Wat ga je doen?’
‘Surfen.’
Over de auteur
Julien Althuisius is schrijver en voor de Volkskrant columnist over het dagelijks leven.
Achterbank plat, plank erin, grote Ikea-tas met wetsuit, handdoek en wax erbij.
De autoweg is leeg en stil. Nadat ik het dorp binnen ben gereden sla ik linksaf, de weg naar het strand in. Na de eerste bocht doemen de fabrieken op, rook klimt uit de schoorstenen de geeloranje hemel in. Onheilspellend, onwerkelijk, lelijk en prachtig.
Ze staan net voorbij de grote windmolen geparkeerd. Als ik aan kom rijden, laat ik mijn koplampen flitsen.
‘Er is er eentje kapot, hè?’
‘Ja, weet ik. Heb net nieuwe lampjes besteld.’
Uitstappen, omhelzen.
‘Hoe gaat het?’
‘Ja, wel goed.’
‘Gezellig dat je er weer eens bent.’
Ik trek mijn surfplank uit de auto. Gisteren heb ik hem schoongemaakt; jaren aan dikke, grijze wax schraapte ik er vanaf. Weg ermee. Tijd voor een nieuwe, verse laag.
Fleecetrui uit, fleecebroek uit, piemel in de wind, wetsuit aan. Wringen, worstelen om het neopreen over mijn lijf te trekken.
We lopen naar het strand.
‘Hoe bevalt Haarlem?’
‘Mwah. Hoe is het in Amsterdam?’
‘Meh.’
‘Waar gaan we erin?’
‘Maakt niet uit, het tij is afgaand en we drijven toch wel af.’
Ik loop de zee in, voel de schelpen en het wier op de bodem. Al na een paar stappen kan ik mijn voeten niet meer zien. Het water heeft de grijsbruine kleur van een verwassen herfsttrui, maar de schuimkoppen kleuren een vers en fris wit in het zachte licht. Bij de hogere golven verdwijnt de opkomende zon steeds even uit zicht en valt er een schaduw over me heen. Het zeewater is warmer dan de buitenlucht. De laatste, tanende herinnering aan de zomer die alweer zo ver weg is.
De zee is een klotsbak, alsof we in een grote teil met water liggen die iemand kwaad heen en weer schudt. Overal vallen golven, behalve waar wij liggen. Om me heen zie ik al de eerste gefrustreerde blikken. ‘Dit is niets.’
Ik slaag er in een golf te pakken. Het ritje duurt kort, staat in geen enkele verhouding tot de moeite die het heeft gekost. ‘Helemaal kut dit’, hoor ik iemand zeggen. Ik pak nog een golf, deze rit duurt langer. Lang genoeg. Gedurende die paar seconden dat ik op het water richting het strand zweef, ben ik lichter dan mijn gevoelens, sneller dan mijn gedachten.
‘Nog één en dan gaan we eruit.’
Het worden er nog drie.
Terug op de parkeerplaats pel ik mijn wetsuit van mijn schouders. Piemel in de wind. Fleecebroek aan. Fleecetrui aan. Plank in de auto.
We nemen afscheid. Woensdag een nieuwe kans.
‘Dit was helemaal niets.’
Dit was helemaal alles.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns