Wekelijks neemt Bor Beekman, Robert van Gijssel, Joris Henquet, Merlijn Kerkhof, Anna van Leeuwen of Herien Wensink stelling in de wereld van film, muziek, theater of beeldende kunst.
Het is een roerend moment, in de Pixar-animatiefilm Ratatouille, de recensie, in monoloogvorm, van de gevreesde restaurantcriticus Anton Ego. Ego toont zich nederig en zelfkritisch, en belangrijker: zo enthousiast als een kind. Hij heeft iets ontdekt, dat vindt-ie ge-wel-dig, en dat mag, nee móét, iedereen weten.
Helaas greep een beschonken Pierre Bokma – zijn hele carrière bewonderd en geprezen – het fragment bij Zomergasten vooral aan om nog maar weer eens te zeiken over critici.
Herien Wensink is chef kunst van de Volkskrant. Ze schrijft over toneel, film, series en popcultuur.
Vorige week klonken bij een debat over kunstkritiek op het Nederlands Theaterfestival vergelijkbare achterhaalde vooroordelen. ‘Critici stellen zich ten onrechte op als objectief oordelende autoriteiten’ – ik ken niet één criticus die dat nog doet, en uit onze artikelen blijkt dat evenmin. En dan, meteen erachteraan: ‘De kritiek is te subjectief en vaak gewoon maar een mening.’ Maar wacht, dat was toch juist goed; dat we erkennen dat kritiek subjectief is? O ja, er was ook een nieuw geluid: jonge makers voelen zich door recensenten vaak ‘onveilig’.
Critici zouden transparant moeten zijn over hun kwaliteitscriteria, vonden sommigen. Maar kunstkritiek is geen wetenschap, en niet meetbaar of controleerbaar. Bij het ervaren van kunst vibreren je persoonlijkheid, geschiedenis, smaak, voorkeuren, liefdes, trauma’s en al je zenuwen en zintuigen mee. Dat is nogal wat om vooraf allemaal precies vast te stellen. Daarbij: wie kent zichzelf helemaal? Wie wist dat de ratatouille van chef-kok Remy Anton Ego met één hap terug naar zijn geliefde moeder zou katapulteren? Ego zelf in elk geval zeker niet.
Makers klagen vaak dat recensenten ‘hun bedoeling niet hebben begrepen’. Maar dat lijkt me voor een kunstenaar het saaiste wat er is. De kracht van kunst is nu juist dat het zo veel méér kan betekenen dan wat de maker heeft bedacht, en ook nog eens voor iedereen iets anders.
Veel krantenlezers – ons eerste en voornaamste publiek – hebben een soort relatie met ‘hun’ recensenten, ze kennen hun smaak, en weten of ze die delen. Ze lezen vaker recensies en kunnen die wegen: als één interessante, geïnformeerde stem in het gesprek over kunst. Maar anders dan lezers hebben makers vaak geen flauw idee wie de critici zijn, en wat hun werk precies behelst.
Terwijl critici zich andersom juist uitentreuren verdiepen in hun artistieke praktijk. Wij zitten avond aan avond in de zalen, reizen kriskras door het land (collega Annette Embrechts legt in een week zo 800 kilometer af), we wonen repetities bij, lezen jullie teksten, interviewen jullie uitvoerig over het maakproces. Ik liep ooit drie maanden achter de schermen mee bij Caro Derkx, en bij Char Li Chung. En anderhalf jaar (!) met Ilay den Boer. Maar dat weten de meesten van jullie niet, omdat jullie ons niet lezen. De liefde van de criticus voor de kunstenaar is de meest onbeantwoorde sinds die van Goethes jonge Werther voor zijn Lotte.
En echt, ik snap de kwetsbaarheid, en de wrevel. Maar informeer je, op z’n minst. Lees de krant. En luister niet naar Pierre Bokma.
Kijk in plaats daarvan zelf dat mooie fragment nog eens terug. ‘Er zijn momenten waarop een criticus echt iets riskeert’, zegt Ego met de schitterende stem van Peter O’Toole, ‘en dat is in de ontdekking en verdediging van het nieuwe. The new needs friends.’ Zo kun je de criticus ook zien: als een soms een beetje vervelende, maar zeer toegewijde, geïnformeerde en altijd goudeerlijke vriend. Die, als-ie iets écht mooi vindt, het de hele wereld zal laten weten.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns