De N – een metrolijn in New York die van Queens via Manhattan naar Brooklyn gaat – was die avond gevuld met mensen die terugkeerden van de US Open en vermoeide forensen.
Ik had met mijn zoon in een Grieks restaurant in Queens gegeten op uitnodiging van een vriend die ook mijn accountant is en met wie ik eerder dit jaar Auschwitz had bezocht. Tijdens het eten zei hij: ‘In Auschwitz overviel me een alles overweldigend gevoel dat ik je wilde helpen.’ Ik ging daar niet op in, ik word niet graag geholpen.
Het liep tegen half 10 en mijn zoon nam in een steeds voller wordende metro drie stoelen in beslag. Ik zei: ‘Je moeder is vertrokken en daarmee heeft ook de antiautoritaire opvoeding de benen genomen.’
Op dat moment zei een dame: ‘Laat dat kind toch, ze is zo schattig.’
Voor misgendering was ik niet in de stemming. ‘Hij’, antwoordde ik.
In de volle hal van Grand Central stapte de jongen uit zijn kinderwagen en begon te rennen, daarbij af en toe uitdagend achteromkijkend.
‘Hier’, riep ik, ‘hier!’ Ik rende achter hem aan met de kinderwagen, her en der reizigers licht letsel toebrengend.
Andere mensen proberen met het woord ‘hier!’ hun hond tot de orde te roepen, maar het verschil tussen hond en kind was in deze fase van de opvoeding minimaal.
Uiteindelijk liet ik de kinderwagen staan, rende naar het kind toe en wierp me op hem alsof hij de bal was en ik een Americanfootballspeler.
‘Wie denk je dat je bent?’, vroeg ik, terwijl ik met hem in de ene en de kinderwagen in de andere hand naar huis hinkte.
Rond middernacht waren we allebei nog wakker. Ik vertelde verhalen over een paardje dat David heette en over oorlog en vrede. Schaamte en liefde zouden ons overleven.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns