Via via had ik gehoord dat Lore Segal in een hospice in eigen huis terecht was gekomen. Als je toch in een hospice terechtkomt dan misschien het best in het eigen huis.
Lore lag in een ziekenhuisbed in haar slaapkamer met uitzicht over New York, kreeg zuurstof toegediend, was vermagerd, maar verder onveranderd.
Naast het ziekenhuisbed lag een verrekijker waarmee ze naar eigen zeggen af en toe naar de arbeiders keek op de steiger aan de andere kant van de straat.
Ze vroeg waar mijn volgende boek over ging.
‘De rol van het toeval’, zei ik.
Lore vertelde dat ze over haar sterven wilde schrijven, maar dat ze daar nog niet aan toe was gekomen omdat ze de situatie eigenlijk ‘te grappig’ vond.
‘Te grappig?’
‘Ja, zoals ik hier lig, dat is te grappig. Ik moet woorden vinden om het minder grappig te maken. Die zullen komen. Geen woorden, een zin. En die zal ook dit keer komen.’
Uit plichtsbesef informeerde ik: ‘Heb je pijn?’
‘Nee’, zei ze, ‘ik kan niet naar de wc, dat is vervelend, ’s avonds drink ik een glaasje wijn, als de geest tot mij komt.’
Die geest bleek bijna iedere avond te verschijnen.
‘Ik zit in een leesclub’, vertelde ze, ‘we lezen de vroege verhalen van James Joyce. Ondoordringbaar.’
Ik kende die verhalen niet, maar ‘ondoordringbaar’ leek me een woord dat bij Joyce paste.
Bij het afscheid omhelsde ik haar en zei: ‘Je maakt me gelukkig.’
Er zijn weinig mensen tegen wie ik dat zeg, twee, drie misschien.
‘Het is niet gering om iemand anders gelukkig te maken’, antwoordde ze.
‘Ik meen het.’
Verkwikt, bijna extatisch liet ik Lore los.
Omdat ik me niet kon voorstellen dat dit de laatste keer was zei ik staand: ‘Ik kom nog een keer. Om het af te leren.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns