Home

Nog altijd zit ik bij de Spelen te morren over het Franse tv-commentaar

Over de auteur
Henk Pröpper is schrijver en woont in Parijs.


Deze dagen zegt mijn vrouw me dat ik net als dertig jaar geleden ben. Dat zou ik als een compliment op kunnen vatten, want toen was ik in de bloei van mijn leven.

Destijds had ik besloten naar Parijs te verkassen en keek ik voor het eerst geregeld naar de Franse televisie. Ik stelde het toestel dat wij aanvankelijk huurden af op zenders die volgens Libération verslag deden van sportevenementen. Maar liever, zo scheen het, vulden de presentatoren zelf het scherm. Ik verlangde naar gras, tartan en asfalt, maar zag een studio, en daarin wat kalende, pratende mannen. Het liefst allemaal tegelijk.

Vrouwen waren nog niet tot dit heiligdom toegelaten.

Op de achtergrond, tussen hun met de jaren uitdijende lijven, ontwaarde ik een beeldscherm met fragmenten van een wedstrijd, een stuk van een sportterrein, een bal die in de lucht passeerde. De kalende mannen praatten over wedstrijden uit een gouden tijdperk toen alles nog goed was. De wedstrijd was intussen afgelopen zonder dat iemand dat had opgemerkt.

Als er al eens een wedstrijd werd getoond, vond mijn vrouw het komisch naar mij te luisteren terwijl ik deels in het Nederlands, deels in het Frans commentaar gaf op de commentatoren. Die leken verwikkeld in hun eigen wedstrijd zoveel mogelijk woorden te gebruiken om zo weinig mogelijk te zeggen. In hun woorddiarree kwamen slechts twee woorden almaar terug als de golven van de zee: Les bleus.

In vernietigende volzinnen ontmantelde ik deze vertoning, tot verwondering van mijn vrouw die nog nooit naar een sportuitzending had gekeken.

Dertig jaar later is er weinig veranderd. Nog altijd zit ik te morren over het Franse commentaar, het ongeremde chauvinisme, de afwezigheid van iedere objectiviteit, neutraliteit en analyse. Het cocorico is niet van de lucht. Maar ze laten nu wel beelden zien van echte wedstrijden, zolang er Fransen deelnemen, of wereldsterren uit Amerika. Ook gaat er een oranje golf over de Franse wateren, waar komt die nom de dieu vandaan?

We kijken naar judo en horen: ‘Allez Clarisse, on t’aime. Allez, allez, allez.’ Dat de Sloveense duidelijk beter is dan de Francaise, noemen de commentatoren ‘terrible’. Als de nederlaag een feit is, verzuchten ze: ‘We zijn een beetje als Clarisse: ko.’

Je zou bijna denken dat ze mijn lange jaren van commentaar toch enigszins ter harte hebben genomen. Bij sporten waar de Fransen minder bekend mee zijn, zoals hockey, is er nu behalve de commentator ook een specialist. De commentator die meestal de regels niet kent, alleen wat historische feitjes heeft opgezocht, praat zoals gebruikelijk de hele tijd. Hij schreeuwt en jankt en roept de goden om bijstand. De specialist doet hier en daar een poging nuance aan te brengen of iets te verduidelijken, maar wordt in de regel overstemd als de koorts bij de commentator opnieuw de overhand krijgt. Een vroeg succes wordt toegejuicht alsof een eeuw achterstand in een paar minuten ongedaan kan worden gemaakt.

Daar wordt de bal vanaf de andere helft van het speelveld tegen de goalplank geslagen, je hoort de markante, wonderschone hockeytik. De commentator roept dat het een schande is dat de Franse keeper de bal laat schieten: mais non, le con (de klootzak), c’est pas possible. Om er vervolgens na een reeks van jammerklachten achter te komen dat er van een doelpunt geen sprake is. Er kan, zo vertelt de specialist, alleen vanuit de halve doelcirkel worden gescoord.

Maar meestal doet de specialist er na verloop van tijd het zwijgen toe. En zo hoort het. Zo is het in het echte leven ook.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant columns

Previous

Next