Never a dull moment in deze overvolle sportzomer, maar zodra het nieuws bestaat uit Zomergasten, camperverkoop en zwarte zaterdag, dan weet je: komkommertijd. Degene die deze column leest, leest dit ofwel in vakantieluwte ofwel helemaal niet, dus laat ik me richten op datgene wat de komkommertijd domineert: vakantie.
Zo publiceerde deze krant een artikel over de schaduwkanten van overtoerisme. Want met wereldwijd meer toeristen dan vóór corona, lijken we wakker gekust uit onze covid-droom: ook dit welvaartsprobleem tiert welig door. Nu die congestie de binnensteden van Amsterdam, Venetië en Barcelona permanent ontwricht komen ook bewoners steeds actiever in verzet.
Volgens experts moeten we zelf ‘een betere toerist worden’. Inmiddels voeren zowel Amsterdam, Middelburg, Kopenhagen als IJsland actief beleid om ‘badgast’ en ‘dagjesmens’ te weren en juist die betere, verantwoorde of duurzame ‘kwaliteitstoerist’ aan te trekken. Maar het is helaas met de
badgast hetzelfde als met de probleemwolf, ze komen vooral voor op plekken waar het net even ongewenst is.
En met het groeien van excessen stijgt het verlangen naar beleid. Het verlangen naar ‘biopolitiek’: de aansturing van het gewenste aantal mensen op de juiste plekken. Soms onder de noemer ‘toerisme’, soms als ‘migratie’. Alleen anders dan bij migratie, ontbreekt het aan politieke wil om toerisme gecoördineerd te sturen. Zo is het op nationaal niveau aan een handvol rijksambtenaren, want het merendeel wordt overgelaten aan de gemeenten. Dat is geen toeval, maar in lijn met onze nationale miskenning van vrijetijd.
Zo is het in Nederland heel gewoon om een ministerie voor ruimte te hebben (voorheen VROM, nu I&M), en een ministerie voor arbeidstijd (SZW), maar ontbreekt een ministerie voor vrijetijd. Want sport, toerisme, recreatie en cultuur zijn uitgesmeerd over vijf ministeries, namelijk VWS (sport),
EZK en BuZa (toerisme), BZK (recreatie) en OC&W (cultuur). Vrij vreemd, want het één (toerisme) hangt vaak samen met het ander (cultuur). Dat maakt gecoördineerd beleid op die vrijetijdindustrie haast onmogelijk.
Sommige landen om ons heen hebben op het gebied van ‘leisure’ wel een lijn ontwikkeld, maar bij ons komt het vaak neer op ‘die twee ambtenaren in de
gemeente Veere’. Omdat in calvinistisch Nederland de gedachte heerst dat vrijetijd niet veel meer is dan resttijd, de tijd die overblijft na slaap en werk, wordt het nauwelijks serieus genomen. Terwijl die resttijd in economische omvang en sociaal belang allang de status van residu is ontstegen. En dat
zit ons in de weg.
Ooit studeerde ik vrijetijdwetenschappen. Dat zeg ik, hoe veelzeggend, met enige schroom. Daar leerde ik op filosofische, sociologische en economische wijze kijken naar het belang van onze vrijetijd. Juist zo’n sectoroverstijgende benadering is noodzakelijk in een wereld van massatoerisme, zondagfiles en vrijetijdstress. Maar die studie in Tilburg werd wegbezuinigd, geheel in lijn met het Nederlandse vrijetijdsdedain.
Terwijl we ruimte wel wetenschappelijk bestuderen, er ingenieurs toe opleiden en departementaal reguleren met bijzonder strikte wet- en regelgeving, blijft onze kennis van tijd, en dan met name vrijetijd, achter. En met de combinatie van departementale versnippering, calvinistisch dedain en wetenschappelijke marginalisering blijven we modderen in de marge.
Ook elders worstelen steden. Zo gaat Barcelona de appartementenverhuur aan toeristen verbieden, heeft Venetië entreetickets ingevoerd en kent Amsterdam een cannabisverbod en hotelstop. Maar met een wereldwijde groeiende middenklasse, toenemende welvaart en alleen al in onze hoofdstad 20 miljoen overnachtingen en nog 26 hotelbouwvergunningen is dat too little too late.
Voor gemeenten is het een ongelijke strijd. Want die cruisemaatschappij legt net zo eenvoudig aan bij de buurman. En de Barcelonese verhuurstop zal de vraag opstuwen inCatalaanse gemeenten als Girona. En dus vragen effectieve lokale ingrepen om op provinciale, nationale en Europese schaal gecoördineerd beleid. Alleen dan valt er structureel iets te doen tegen spotgoedkope vliegtickets, aan de verroompottisering van de provincie Limburg, aan het weren van deelstepjes en aan het beïnvloeden van zoekalgoritmen.
Maar het ontbreekt vaak aan politieke wil. Het is electoraal interessanter om te sturen op excessen. Daarin verschilt toerisme weinig van migratie. En zolang marktpartijen die vrijetijdsindustrie blijven dicteren en zolang wij onze neus ophalen voor vrijetijd, zijn we overgeleverd aan lokale stoplappolitiek van entreekaartjes, verbodsborden en handhaving. We hebben niet zoveel aan ‘betere toeristen’ zonder beter vrijetijdbeleid. Want onze vrijetijd is allesbehalve komkommertijd.
Over de auteur
Mark van Ostaijen is bestuurssocioloog aan de Erasmus Universiteit. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns