Onbekommerd plezier beleven aan iets - dat gaat zomaar niet. Ik zag het slot van de openingsceremonie van de Olympische Spelen in Parijs en liet me betoveren door de schoonheid van het lichtspel en de kracht van Céline Dions lofzang op de liefde. Geïnspireerd door het letterlijk overweldigende spektakel verheugde ik me op de wedstrijden, waarin ik gewoontegetrouw volop meeleef met Nederlandse sporters: de spanning, de pech, de mazzel, de vreugde, het verdriet.
De ontnuchtering volgde snel: ik las strenge commentaren en tweets over hoeveel problemen Frankrijk in werkelijkheid wel niet kent en hoe kwalijk al dat sport-nationalisme is. Op zoek naar mijn boetekleed, droop ik af. Beteuterd, maar ook mokkend.
Over de auteur
Arie Elshout is journalist en columnist voor de Volkskrant. Eerder was hij correspondent in de VS en Brussel. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Alles wordt heden ten dage gepolitiseerd. Niets is meer onschuldig. Het lijkt modern puritanisme: genieten is des duivels oorkussen. Maar wat moeten we dan? Er is veel mis in de wereld. Moeten we onszelf voortdurend geselen met dat besef, moeten we bij wijze van aflaat bejaarden gaan helpen bij het aantrekken van hun steunkousen? Hoe nobel ook, van zo’n neem-alle-leed-van-de-wereld-op-je-schouders-instelling kun je ook heel gemakkelijk heel gek worden.
Laat mij toch lekker genieten van grote sporttoernooien. Tuurlijk bega ik daarmee de zonde van het escapisme, maar het duurt maar kort. En waarom zou ik me niet vooral met sporters uit eigen land mogen vereenzelvigen? Het is een vorm van nationalisme, zeker, maar een vrij onschuldige. Om dan te doen alsof ik me al half in het voorgeborchte van het fascisme bevind, is overdreven.
Nationalisme kan gif zijn, denk aan Poetin. Maar er is ook een nationalisme-light: het gevoel bij mensen tot een gemeenschap te behoren met eenzelfde cultuurtraditie, taal en gezamenlijke herinneringen. Het kweekt een saamhorigheid die ertoe leidt dat mensen samenwerken en solidair zijn met elkaar. Daar is niks mis mee, zolang het maar verbindt en nieuwkomers niet uitsluit, zeiden mensen die ervoor doorgeleerd hadden in de Volkskrant.
Na de verloren halve finale tegen Engeland op het EK-voetbal had ik wel een Nederlands vlooteskader de Theems op willen sturen om wraak te nemen. Rafael van der Vaart schold het Engelse team uit voor ‘schijtploeg’. Maar de Engelsen weigerden daar een casus belli in te zien en de Koninklijke Marine bleef in Den Helder. Sport-nationalisme is doorgaans ongevaarlijk. Er is geen reden er een banvloek over uit te spreken. Hoe meer, hoe beter!
Het is een vorm van gemeenschapszin, en dat is iets om te koesteren. Op vakantie in Bretagne las ik in Le Figaro een opinieartikel van Giovanni Orsina. Deze Italiaanse historicus schrijft hoe na de Koude Oorlog een ‘radicaal liberale orde’ ontstond die geregeerd werd door de markt en internationale verdragen. Het bestuur werd in hoge mate gedepolitiseerd, technocratisch, onpersoonlijk en abstract. De afgelopen jaren leidde dat tot een revolte van kiezers die de natie herontdekten en wilden terughalen als plek voor concrete politiek door leiders die oog hebben voor plaatselijke noden, aldus Orsina.
We hebben het hier natuurlijk over het populisme. Daar valt veel over te zeggen, maar ik hou het nu even bij wat volgens mij de kern is: dat aspect van vervreemding. Het gevoel machteloos te staan tegenover grote, supranationale bewegingen als mondialisering, Europese eenwording en migratie; het gevoel onthecht te zijn in een sterk geïndividualiseerde en veranderende samenleving. Het doet een deel van de kiezers verlangen naar controle, herkenbaarheid, nabijheid en een gemeenschap om bij te horen.
Ze zijn inmiddels met velen. We kunnen hun zorgen negeren, maar dat kan leiden tot toenemende radicalisering, met alle spanningen van dien (zie de rellen in Engeland). De gevestigde partijen zouden ook kunnen proberen rekening te houden met de behoefte aan een politiek die niet afstandelijk is, een luisterend oor biedt en niet haar neus ophaalt voor het stimuleren van een nationaal gevoel. Dat laatste is niet verkeerd, mits het nationalisme-light blijft, open en verbindend.
De Fransen gaven een voorzet. Ze lieten met het openingsschouwspel zien wat ze in huis hadden qua vernuft, cultuur, creativiteit en historie. Het gaf het land een enorme opkikker. Zie het prachtige krantencitaat waarop correspondent Eline Huisman ons trakteerde: ‘Er hangt een geur van geluk in de straten van Parijs.’ Het toont aan wat een injectie met nationale trots kan bewerkstelligen.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns