Hoe zouden de oude Grieken in Olympia, bij de tempel van Zeus, naar breakdance en skateboarden hebben gekeken? Ongetwijfeld met de grootste verwondering, misschien ook met waardering. De organisatie van de Spelen in Parijs moet aan hen hebben gedacht, toen de wens werd uitgesproken de Olympische Spelen artistieker te maken, zoals destijds in de Oudheid. En overigens nog in de begintijd van de moderne Spelen. In 1912 werden er in Stockholm medailles uitgereikt voor kunstwerken die geïnspireerd waren door de sport, in de architectuur, de literatuur, de muziek, het schilderen en beeldhouwen.
Over de auteur
Henk Pröpper is schrijver en woont in Parijs.
De gouden medaille in de categorie literatuur ging toen naar het gedicht Ode au sport. Twee onbekende dichters, Georges Hohrod en M. Eschbach, presenteerden het aan de jury in het Frans en in het Duits. Later bleken dat pseudoniemen te zijn waarachter Pierre de Coubertin zelf schuilging, de geestelijke vader van de moderne Spelen. Of dit volgens de reglementen helemaal in orde was, weet ik niet – een sporter mag tegenwoordig onder een andere vlag verschijnen, maar ook onder een andere naam?
In verheven bewoordingen bezingt het gedicht de sport als ‘god gegeven’, als ‘levenselixer’. En of dat nog niet genoeg is: als drager van schoonheid en rechtvaardigheid, van eer, vruchtbaarheid en vreugde, van vooruitgang en vrede. Wist hij toen al dat de Duitse en Franse legers twee jaar later tegenover elkaar zouden liggen in de loopgraven? Probeerde hij met zijn gedicht in twee talen de verschrikking van een nieuw conflict na de Duits-Franse oorlog van 1870-1872 af te wenden? Dat was immers een van de argumenten om de Olympische Spelen uit het oude Griekenland nieuw leven in te blazen. Vrede tussen de volkeren, vrede op het oude continent.
Het gedicht is typisch voor de Franse denkwereld, waarin de taal overeind blijft, ook als alles misgaat. Met taal kunnen bergen worden verzet en kan wat gebroken is, worden gerepareerd. Het zijn de Fransen die het olympisme bedachten, die lichtende tak van de diplomatie. Als we niet de sterkste (meer) zijn, redt ons alleen nog de taal.
Het zijn ook de Fransen die het idee de wereld in brachten dat de ‘wapenstilstand’ het spirituele uitgangspunt is voor de Spelen. Destijds in 1896 zeiden ze dat dat ook in de Oudheid zo was. Quod non, niet dus, het is een mythe uit de tijd van de grote verhalen. Telkens opnieuw sprak Macron deze weken het woord ‘wapenstilstand’ uit, in één vloeiende armbeweging decreteerde hij die nationaal en internationaal. Maar voor een wapenstilstand moeten partijen aan beide zijden de wapens neerleggen en de heiligheid van het moment koesteren, zoals tijdens die Eerste Wereldoorlog toen Duitsers en Fransen samen Kerstmis vierden in het niemandsland tussen de loopgraven, en elkaars schnaps en wijn dronken.
De openingsceremonie in Parijs was een hymne aan de liefde, en ook een ode aan de kunsten en de taal. Edith Piaf schreef de woorden van Hymne à l’amour in 1950 voor de bij een vliegtuigongeluk overleden bokser Marcel Cerdon. Uit de mond van Céline Dion klonken ze als een revanche op haar lot. De oude Grieken hadden dat vast mooi gevonden. Toen zij daar hoog op de Eiffeltoren stond en uitkeek over de wereld en de liefde uit haar lichaam goot, verrichtte ze iets grandioos. Krachtiger dan elk pact, dan elke olympische prestatie. Ze zong met de stem van de liefde en de vrede, en verdient een gouden medaille.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns