Home

Als er te weinig huizen zijn, waarom wordt wonen dan steeds goedkoper?

‘Koopwoningen in juni bijna 10 procent duurder dan jaar eerder.’ ‘Huurprijzen in vrije markt stijgen met gemiddeld bijna 9 procent in eerste kwartaal.’ ‘Woningtekort loopt ondanks nieuwbouw verder op: nu 400 duizend huizen te weinig.’ Het is, zoals deze greep koppen illustreert, niet moeilijk nieuwsberichten te vinden die duiden op krapte op de woningmarkt.

Bouwen, bouwen, bouwen, is daarom de Haagse mantra, óók in het hoofdlijnenakkoord van de vier fracties die het kabinet-Schoof hebben bedacht.

Maarre: als huizen zo schaars zijn, waarom wordt wonen dan steeds goedkoper? Ik zal uitleggen wat ik bedoel.

Ik heb het over de ‘woonquote’, het aandeel woonlasten in het beschikbaar inkomen van huishoudens. Oftewel: welk deel van het maandelijkse budget aan wonen opgaat, gemiddeld in huishoudens in Nederland. Gezien alle berichtgeving zou je denken: die woonquote stijgt. Maar in werkelijkheid daalt de woonquote. Al een hele tijd.

Bij het Europese statistiekbureau Eurostat houden ze de woonquote bij sinds 2005. In dat jaar waren huishoudens 31,5 procent van hun inkomen kwijt aan woonlasten. De trend is vervolgens: stapsgewijs omlaag. In het meest recente jaar, 2023, is er van de woonquote nog maar 22 procent over. De Nederlandse woonquote in hiermee toegegroeid richting het gemiddelde niveau in het eurogebied.

Het Nederlandse Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) houdt de woonquote óók bij, sinds 2015, en constateert dezelfde trend. De woonquote daalt.

Hoe kan dat nou? Nou, de afgelopen twintig jaar stijgt het beschikbaar inkomen van Nederlandse huishoudens sneller dan de woonlasten van Nederlandse huishoudens. Koophuizen worden duurder? Ja. Huurhuizen worden duurder? Zeker. Maar het inkomen stijgt sneller dan wonen duurder wordt.

Dit is niet wat je zou verwachten in een woningmarkt die superkrap is. Als er gevochten moest worden om de woningen, zou je denken dat huishoudens een steeds grotere hap uit hun inkomen zouden nemen om een woning te bemachtigen. Bij een krappere woningmarkt hoort een stijgende woonquote, desnoods een stabiele, maar geen dalende.

Nu gaan achter de gemiddelde woonquote ook verschillen schuil natuurlijk. Anders dan Eurostat kijkt het CBS hiernaar. Eigenaren hadden in 2021 (het meest recente jaar waarover getallen beschikbaar zijn) een woonquote van ruim 23 procent, terwijl huurders liefst 36 procent van hun inkomen aan wonen uitgaven. Vooral huurders op de vrije markt moesten voor wonen een flinke hap uit hun besteedbaar inkomen nemen: bijna 42 procent.

Zie je wel dat die woningmarkt toch hartstikke krap is? Nou, sorry, maar voor eigenaren én huurders, óók die in de vrije sector, geldt tussen 2015 en 2021 de trend dat de woonquote daalt. Voor eigenaren: van 27 naar 23 procent. Voor huurders van een corporatiewoning: van 37 naar 34 procent. Voor huurders van een vrije marktwoning: van 42 naar 41 procent.

Dus? De feiten over de woonquote nuanceren het beeld van een oververhitte woningmarkt, al zijn er altijd schrijnende verhalen op te tekenen over specifieke gevallen. En natuurlijk moeten er de komende jaren nieuwe huizen worden gebouwd; het aantal huishoudens groeit immers. Maar er is geen enkele aanleiding voor gooi- en smijtwerk op de woningmarkt.

Frank Kalshoven is oprichter van De Argumentenfabriek en columnist van de Volkskrant. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier de richtlijnen van de Volkskrant. Reageren? E-mail: frank@argumentenfabriek.nl.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant columns

Previous

Next