Home

Is de fiscus te lief voor kloosterlingen?

Als zoogdieren, vogels of reptielen in Nederland bijna zijn uitgestorven, wordt met alle macht getracht ze te redden. En soms worden deze dieren als ze verdwenen zijn, zelfs weer geherïntroduceerd zoals met de wolf is gebeurd.

Met oude beroepen gebeurt dat zelden. De stoker op de trein, de hoefsmid, letterzetter, marconist, schillenboer en scharenslijper zijn verdwenen. En niemand wil ze meer terug, hoewel ze cultuurhistorische waarde hebben.

Over de auteur
Peter de Waard is journalist en columnist van de Volkskrant, gespecialiseerd in financieel-economische onderwerpen. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

Ook de kloosterling zal deze eeuw niet overleven. Er zitten nog 2.300 religieuzen in de Nederlandse kloosters, waarvan 85 procent boven de 70 jaar is. In 2060 zullen daar nog geen honderd van over zijn − of God moet zich voor die tijd op de een of andere manier openbaren. Het is een heel verschil met de 50 duizend kloosterlingen die Nederland in 1960 nog telden.

Toch is er voor de kloosterlingen een hele kleine opsteker. De fiscus vindt dat kloosterlingen ook anno 2024 recht hebben op giftenaftrek. Het verschil tussen het inkomen dat ze aan hun klooster afstaan en de daadwerkelijke kosten van hun sobere levenswijze (onderdak, eten en gebedenboeken) is te beschouwen als gift, volgens de fiscale definitie een ‘bevoordeling uit vrijgevigheid en verplichte bijdrage waar geen directe tegenprestatie tegenover staat’.

Daar is begin deze maand toe besloten, net voordat er een regering tot stand kwam zonder christelijke partijen. Nu zal dat geen gat in de begroting slaan, want gezien het geringe aantal kloosterlingen zal het om niet meer dan enkele tienduizenden euro’s gaan. Er is tenminste duidelijkheid geschapen. Kloosters behouden een anbi-(algemeen nut beogende instelling) status, wat opvallend is omdat verenigingen of clubs die voor bepaalde groepen opereren die niet hebben.

Bij toetreding tot een kloostergemeenschap wordt door de religieuzen de gelofte van armoede afgelegd. Dit betekent dat de priesters, broeders, monniken, fraters, zusters, nonnen en andere religieuzen niet over hun inkomen, bijvoorbeeld in het onderwijs of de zorg, kunnen beschikken en zelfs geen eigen bankrekening mogen hebben. Hun inkomsten, tegenwoordig vooral aow, zal op de bankrekening van het klooster zelf worden gestort. De kloostergemeenschap of orde betaalt daarvan alle kosten. Het saldo tussen inkomsten en kosten is dan als gift te beschouwen.

Maar de fiscus beschouwt het als een gewone gift. Hiervoor geldt een drempel van 10 procent van het inkomen − daaronder is geen aftrekmogelijkheid − en een maximum van 250 duizend euro. Dat kloosterlingen boven dat laatste bedrag uitkomen, lijkt onwaarschijnlijk tenzij ze stervoetballer of cryptohandelaar zijn. Hun afdracht wordt echter niet erkend als periodieke gift, waarvoor geen drempel geldt. Maar giften mogen fiscaal alleen als periodiek gelden als ze niet verplicht zijn en er ook geen tegenprestatie tegenover staat. En de monniken hebben de pech dat hun gelofte wel verplicht is en er een tegenprestatie is.

Hoe dan ook, de geste van de fiscus zal het beroep niet voor uitsterven behoeden.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant columns

Previous

Next