Staat u mij toe mijzelf voor te stellen. Ik ben Valentina Tóth. Actrice, zangeres, theatermaker, liedjesschrijver en sinds een tijdje ook cabaretier. Ik durf mezelf hier geen columnist te noemen, want op dat gebied heb ik geen enkel wapenfeit te bieden, maar wel kan ik u zeggen dat ik in de wolken was toen ik hoorde dat ik een serie zomercolumns mocht gaan schrijven voor de Volkskrant. Hopelijk is ongebreideld enthousiasme een goed substituut voor wapenfeiten.
Om het maar meteen uit de weg te ruimen: ja, inderdaad, in een grijs verleden was ik klassiek pianist en nu niet meer. Ik vond pianospelen namelijk niet zo leuk. Sommige mensen weigeren helaas om dat te geloven, voornamelijk hardcore klassiekemuziekfans van boven de 70, een demografische groep waarvoor ik een allergie heb ontwikkeld. Zij zeggen dingen als ‘zonde, je had zo’n talent, je zult zien dat je in no time weer achter de piano zit’ en ‘je moet een pleister op je mond plakken en weer piano gaan spelen’ (ik verzin dit niet).
Het is misschien moeilijk te begrijpen dat iemand iets goed kan, er zelfs succes mee heeft en toch iets anders gaat doen. Daarom leg ik het hier nog eens uit, misschien kan ik dan in het vervolg volstaan met verwijzen naar deze column.
Theater is mijn lust en mijn leven en pianospelen was dat niet. Ik ben jong in de wereld van de klassieke muziek gerold en durfde lang niet toe te geven dat ik liever iets anders wilde, want ja, ik was er toch goed in? Maar tien jaar geleden verruilde ik dan toch de piano en het conservatorium voor de toneelschool, mijn beste beslissing ooit. Soms zijn de dingen heerlijk simpel.
Momenteel ben ik op tournee met mijn debuutvoorstelling Wildbloei, een ode aan de hysterische vrouw. Dat thema past mij als een handschoen, al zeg ik het zelf. Ik speel graag grote personages, vrouwen die veel ruimte innemen. Mij kan het allemaal niet grotesk en theatraal genoeg.
Komt bij dat ik vol zit met woede. Over de dingen die gebeuren, zowel in de wereld als in mij. Ik vind woede een pracht van een emotie, het kan een motor zijn, een richtingaanwijzer. Durf maar eens te fonkelen van woede, te veel te zijn. Dat is zeker niet makkelijk, maar wel bevrijdend. Meestal ligt de mijne netjes opgekruld, maar in Wildbloei gaat het deksel van de pot.
Nu klinkt dit best fierce, maar dat ben ik alleen op het podium; ernaast ben ik maar een nietige conflictvermijdende schijtluis. Wel een tevreden schijtluis, want ik durf te beweren dat bijna niemand zo vrolijk wordt van zijn werk als ik van het spelen van mijn voorstelling.
Eerlijkheid en ijdelheid gebieden mij te zeggen dat dat me ook erg makkelijk is gemaakt; ik heb alleen maar vijfsterrenrecensies gekregen en daardoor mag ik spelen voor volle zalen, want de mensen gaan als makke schapen af op goede recensies. Hoera! Al mondt dat zo nu en dan uit in teleurstelling: ene Annemarie uit Bleiswijk, bijvoorbeeld, vond mijn voorstelling een smakeloze deceptie. U bent gewaarschuwd.
Goed, dan rest mij u alleen nog te zeggen dat ik zal gaan schrijven rond het thema hysterie. Elke keer zet ik een hysterica of een hysterisch fenomeen in de schijnwerpers. Vandaag zette ik overigens mezelf in de schijnwerpers, want ik zit al aan mijn maximum aantal woorden. Blijk ik ineens te veel ruimte te hebben ingenomen. Maar ik mag dat, want het is mijn column. Lekker puh.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns