Home

Is wielrennen een armeluissport?

In Adin Dobkins boek Sprintend door niemandsland wordt de Tour de France in 1919 beschreven, acht maanden na het einde van de Eerste Wereldoorlog.

De deelnemers waren veelal ex-soldaten die ternauwernood de loopgraven hadden overleefd. Nu kozen ze opnieuw voor een lijdensweg en fietsten langs deze loopgraven en bomkraters door desolate landschappen en in puin geschoten steden. De etappes waren monsterlijk lang. Vaak vond de start al om twee of drie uur in de nacht plaats, zodat nog voor de avond de finishplaats kon worden gehaald. Veel straten waren slecht geplaveid. En ze moesten dezelfde cols zien te bedwingen als de renners van nu. Hulp was niet toegestaan. Renners moesten zelf hun band plakken en als de voorvork brak, kon de finishplaats alleen lopend worden bereikt met de fiets op de rug.

Van de 155 deelnemers haalden er slechts tien de finish in Parijs na een helletocht over 5.560 kilometer. De beloning was niet meer dan een fooi van de plaatselijke middenstand.

De renners van nu kunnen gewoon slapen en hebben mecaniciens en verzorgers in overvloed. De etappes zijn ook aanzienlijk korter. Maar ook 105 jaar later is het nog steeds een relatief slecht betaalde inspanning. De totale prijzenpot van de Tour is slechts 2,5 miljoen euro. De winnaar krijgt 500 duizend euro. Er moet negentig uur – voor de Tour van 1919 had de winnaar tweehonderd uur nodig – worden afgezien: puffend en zwetend bergop, met gevaar voor eigen leven bergaf of slalommend in een gevaarlijk peloton. Wie zijn kind op een racefiets zet, moet zich altijd nog afvragen of het niet beter is hem of haar een tennisracket of golfclub te geven. Wielrennen is een armeluissport.

Wimbledon had bijvoorbeeld dit jaar bijna 60 miljoen euro aan prijzengeld, 24 keer zoveel als de Tour. Dat is een inkomensverschil dat buiten de sport onacceptabel zou zijn. De winnaars in het vrouwen- en herenenkelspel beurden ieder 3,2 miljoen euro. Daarvoor stonden ze respectievelijk tien (vrouwen) en vijftien uur (heren) op de baan. Ze moesten na de service wel enige tijd heen en weer rennen, als ze tenminste geen ace of dubbele fout sloegen, maar hoefden lang niet zo diep te gaan als wielrenners.

Komend weekeinde vindt een ander mega-evemenent plaats in Groot-Brittannië: The Open, de oudste golfmajor op de kalender. Hier is 16 miljoen euro prijzengeld te verdelen onder de deelnemende mannen (de vrouwen hebben eind augustus hun eigen Open), waarvan 2,8 miljoen euro naar de winnaar gaat. Hij hoeft daarvoor vier dagen lang slechts een wandeling van 6 kilometer te maken. Tussendoor moet hij ook nog zo’n 270 keer een balletje wegslaan; de ene keer met een flinke mep, de volgende met een subtiel rollertje. Dat was ruim honderd jaar geleden niet anders, zij het dat ze dertig slagen meer nodig hadden.

Wie pijn wil lijden, moet gaan fietsen, anders is het beter toeven op de golfbaan. Nederlanders pijnigen zich het liefst. Er zijn twee keer zo veel wielrenners (850 duizend) als golfers (420 duizend).

Sprintend door het polderland.

Over de auteur
Peter de Waard is journalist en columnist van de Volkskrant, gespecialiseerd in financieel-economische onderwerpen. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant columns

Previous

Next