Het afgelopen weekend bracht ik door in de omstreken van Winterswijk, geboorteplaats van Gerrit Komrij. In het centrum van het stadje staat een huis waar op de gevel monumentaal het konterfeitsel van onze grote dichter is afgebeeld, plus het gedicht dat hij aan Winterswijk heeft gewijd. Complimenteus is dat niet, maar het eindigt wel met de regels:
‘In een diep gat, ik zal er nooit echt komen – / Toch is er iets hardnekkigs in mijn dromen/ Want steeds herhaal ik deze bedevaart.’
Naast dat huis trof mijn boze oog een vuilnisbak aan, die geheel was vormgegeven in de kleuren en vlakken van onze grote schilder Piet Mondriaan. Ik vermoed dat Mondriaan nooit heeft kunnen bevroeden dat zijn werk nog eens zou worden verheven tot vuilnisbak. Maar misschien is dat wel het hoogste dat een beeldend kunstenaar kan bereiken: na eetkamerstoelen, placemats, voetbalshirts, enzovoort, tenslotte ook een vuilnisbak in jouw geest.
Op heel wat minder kun je trots zijn.
’s Avonds keerde ik terug naar Amsterdam en om een bioscoopje te pakken, fietste ik langs het Leidseplein. Daar zag mijn boze oog voor de Stadsschouwburg een beeld dat ik nooit eerder had gezien. Het is geplaatst op de plek waar ooit het standbeeld stond van Wim Kan & Corry Vonk. Erg lang hebben Wim & Corry niet naar onwetende toeristen geloenst, want op een gegeven moment zijn zij wegens algehele lelijkheid afgevoerd en verplaatst naar het Circustheater in Scheveningen, waar zij kennelijk niemand pijn aan de ogen doen.
Over de auteur
Max Pam is schrijver en columnist van de Volkskrant. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Intussen liep ik om het nieuwe beeld heen: twee enorme handen die uit de grond komen en elkaar aanraken. Het geheel is erg kolossaal in deze omgeving. Ten behoeve van wie of wat dat ding daar stond, werd me niet onmiddellijk duidelijk. Wel stonden er in allerlei talen teksten op de handen, maar ook die maakten me niet wijzer. Pas toen ik enige afstand nam en op de grond een plakkaat ontdekte, drong tot me door dat het een beeld betrof ter ere van de vermoorde misdaadverslaggever Peter R. de Vries.
Godsamme, wat een lelijke joekel is dit beeld! Ongetwijfeld bestaan er mensen die het prachtig vinden, maar die opgetogenheid zal over een paar jaar verdwenen zijn en ik voorspel dat het bij de zoveelste herindeling van het Leidseplein stilzwijgend Wim & Corrie achterna zal gaan.
Wat me trouwens nog het meest stoorde, waren die handen. Vanaf Michelangelo tot Bruce Nauman, allemaal hebben ze handen gebruikt, werkelijk tot vervelens aan toe. Handen zijn letterlijk en figuurlijk een afgezaagd symbool geworden voor van alles en nog wat. Je moet wel een heel groot kunstenaar zijn om er nog wat van te maken.
Oké, je reikt elkaar de hand, maar het was ook de vinger die de trekker overhaalde. Op het bijgevoegde plakkaat las ik een zoetsappige tekst van Peter R. de Vries – over dat je altijd jezelf moet zijn, anderen moet helpen, nooit mag discrimineren en je rug recht moet houden. Allemaal goedbedoeld en politiek correct, maar anders dan wat erover wordt beweerd, is dat niet ‘het gedachtegoed van Peter R. de Vries’.
Bij het woord ‘gedachtegoed’ denk ik aan Schopenhauer, Wittgenstein en voor mijn part aan Derrida, maar niet onmiddellijk aan Peter R., tenzij je zijn politieke Partij voor Rechtvaardigheid, Daadkracht en Vooruitgang (PRDV) ertoe rekent. Maar die was voor de oprichting in 2005 al mislukt. Mocht Peter R. toch een of ander gedachtegoed vertegenwoordigen, dan kan dat in twee woorden worden samengevat: boeven vangen. Met dat thema had men op de plek waar hij daadwerkelijk is vermoord, een klein maar smaakvol beeld moeten neerzetten.
Amsterdam, het Leidseplein en kunst is nooit een gelukkige combinatie geweest. Even verderop, boven de ingang naar het Max Euweplein, staat op de gevel in pseudo-latijn: ‘Homo sapiens non urinat in ventum’ – je moet nooit tegen de wind in pissen. Typisch Amsterdams: lollig doen over collaboratie en verzet, of misschien over dat niet eens. Maar hoe je het ook interpreteert, op het Leidseplein heeft Peter R. de Vries weinig te zoeken.
Een standbeeld van een acteur of regisseur voor de schouwburg zou niet gek zijn geweest. Of een beeld voor de socialistische strijd die zich in het Hirsch-gebouw heeft afgespeeld: de naaiateliers tegen de kapitalistische uitbuiters. Of voor Freddy Heineken, die daar tegenover zijn Heineken Hoek liet uitbaten. Of even verderop de kunstenaarssociëteit De Kring. Vanaf het balkon aldaar heeft menige artiest, met het wijnglas in de hand, neergekeken op het krioelend burgermansvolkje.
Daarom zou op het Leidseplein een standbeeld van Harry Mulisch passend zijn geweest. Niet eentje ‘tussen de mensen’, maar het liefst hoog te paard en als het even kan ook nog graag met een pijp in de mond.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns