Home

Wat voor supermensen zijn wij, Europeanen, om eindeloos te kunnen parasiteren op een andere macht?

Nato? What’s Nato?’ Het is de reactie van Courtney, de taxichauffeur die me in zijn groene Dodge naar Mount Vernon rijdt, George Washingtons landgoed, als ik hem vertel waarom ik in de stad ben. Maar even later zegt hij: ‘Wacht even! Ik dacht al dat ik die naam ergens van kende. Ik moet deze week werken voor de Navo!’

Courtney werkt voor de National Guard. Hij werkt daarnaast als Uber-taxichauffeur om wat extra geld te verdienen voor zijn familie in Jamaica. Dat eiland is onlangs weer getroffen door een orkaan die een ravage heeft aangericht. Hij checkt zijn werkschema en ja hoor: hij moet de komende week veel hoogwaardigheidsbekleders vervoeren door de stad. Hij volgt het nieuws niet zo. ‘Ik heb het te druk met voor mijn naasten zorgen.’

Ik reis naar Mount Vernon om te luisteren naar wat gewone Amerikanen vinden van de alliantie – wetende dat ik de komende week een uniform geluid zal horen van de hoogwaardigheidsbekleders die Courtney rond zal rijden, en die zo afgeschermd zijn van de buitenwereld dat ze nauwelijks beseffen dat de gevoelstemperatuur buiten boven de veertig graden is. Courtney beantwoordt mijn vraag dus al voordat ik er ben.

In de journalistiek wordt erop neergekeken wanneer je een taxichauffeur citeert. Want ja, duh, lekker makkelijk! Maar het hangt ervan af met wie je spreekt. Ten eerste: taxichauffeurs zijn ook mensen en voor journalisten geldt eigenlijk hetzelfde als voor Jezus: elk mens telt. En in Amerika – net als in Rusland trouwens – zijn taxichauffeurs vaak immigranten met complexe levens en, toegegeven, weinig illusies. Ze kijken, net als journalisten, elke dag uit hun raam op de wereld en plaatsen zichzelf (als het goed is tenminste) niet op de voorgrond.

Dus taxichauffeurs mogen.

Bovendien kun je er wat van opsteken, zeker in Rusland waar ik als correspondent werkte en waar de taxichauffeurs, net als Courtney, vaak ook een andere baan hebben. De rode lijn door de drie plekken waar ik langer gewoond heb, West-Afrika, Noord-Amerika en Rusland, is het ontbreken van een (niet meer dan rudimentair) sociaal vangnet.

In een dorpje nabij Nizjni Novgorod was ik eens voor een verkiezingsreportage over Moeder Maria, een gewezen boekhoudster die een sekte was begonnen omdat God door haar sprak (‘ik ben slechts een leeg vat’). In haar ‘klooster’, dat vol Ikea-rommel stond, vertelde ze dat de apostelen Paulus en Petrus waren gereïncarneerd in Poetin en Medvedev. ‘Medvedev staat voor ongeletterdheid, arrogantie en materialisme. Poetin, Poet inoj, staat voor ‘de andere weg’, naar de verlichting. Poetin is tsaar!’ Nou, over Medvedev had ze in elk geval gelijk.

Toen we daarna op straat een auto aanhielden, terug naar het treinstation, werden we opgepikt door Dmitri, een jonge dokter in een Lada Priora. De staatskliniek waar hij werkte was pure corruptie en ellende, legde hij uit. En hij verdiende niks. ‘Dit land is ziek’, zei hij. ‘Ik ga voor de revolutie!’

Terug naar Washington. In Europa stuitten pleidooien dat de defensie-uitgaven omhoog moesten jaren- en jarenlang op de simpele vraag: en de sociale uitgaven dan? Maar vertel dat maar eens aan de man met de grijze baard, die Joe Bidens leeftijd benadert, en op straat voor mijn Starbucksfiliaal in Washington sigarettenpeuken in een bakje veegt. Ik vermoed dat hij geen tijd heeft gevonden om de gekwelde Europese discussies over de verhoging van de pensioenleeftijd te volgen.

Dat Amerika niet bepaald vrij is van sociale problemen wordt overduidelijk tijdens de uurlange bustocht terug van Mount Vernon, naar de periferie van Washington, en de metrorit daarna. Tijdens de Koude Oorlog was dit het vaste refrein over Amerika, zowel in de Sovjet-Unie als bij ons. Ondertussen kunnen we onszelf de vraag stellen: wat voor supermensen zijn wij, Europeanen, om eindeloos te kunnen parasiteren op een andere macht en deze onderwijl ook nog de les te lezen?

Dus als ik aan die Europese ‘pijn’ denk, die volgt uit de noodzaak eindelijk meer voor je eigen defensie te zorgen, denk ik ook aan Courtney, een bescheiden man zonder pretenties, die goed probeert te doen voor zijn naasten, in de VS en Jamaica. Ja, ik heb hem een fooi gegeven. Maar achteraf knaagt het aan me: hij verdient meer.

Over de auteur
Arnout Brouwers is journalist en columnist voor de Volkskrant, met als specialisatie veiligheid, diplomatie en buitenlands beleid. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant columns

Previous

Next