Op vrijdagochtend rond een uur of 9 begon de tandpastaoorlog. Er was een jarenlange drôle de guerre aan voorafgegaan, waarbij de zoon zich steevast verzette tegen elke vorm van tandenpoetsen en de vader telkens weer de toekomst schetste: een verrot gebit met veel gaatjes. Verkleurd ook. Waarop de zoon dan altijd even leek op een deel van het electoraat, de dreiging van een naargeestige toekomst maakte hem alleen standvastiger. ‘Ik wil gaatjes’, riep hij. Maar de zoon had altijd ingebonden.
Deze vrijdagochtend moest de vader op reis, de moeder was afgereisd naar een festival, de zoon zou worden afgegeven bij een vriendin, uit logeren werd het genoemd.
Tussen het pakken van een koffer en het weggooien van een beschimmelde pannenkoek meende de vader dat hij zijn autoriteit moest doen gelden, ook in naam van de moraal. De zoon was nog wilsonbekwaam, hij kon geen consent geven, de ouders droegen de verantwoordelijkheid voor zijn tanden.
‘De tanden worden nu gepoetst’, riep de vader.
De zoon schreeuwde terug: ‘Nee! Niet nu. Morgenmiddag. Of zondag.’
Er volgde een worsteling die, het spijt me dat ik dat moet melden, werd gewonnen door de peuter. De autoriteit, wat een armzalig instituut is zij toch. Eigenlijk een verrot gebit.
‘Ga naar je speelhoek’, riep de vader in het afgedragen kleed van de ontmantelde autoriteit, een soort Schoof misschien, ‘ga met je auto’s spelen, ik wil je niet meer zien. Ga weg.’
Daarvan had de vader meteen spijt, want meestal zei hij dat de zoon hem zo gelukkig maakte en hoe kun je iemand niet meer willen zien die je zo gelukkig maakt?
De trein ging, de zoon had de oorlog gewonnen, tijdelijk maar toch. Wat bleef was een milde weemoed, frustratie die overging in berusting.
Die vriendin zou de tanden poetsen. Vrouwen stemden de zoon doorgaans mild.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns