Home

Honderden naaktslakken, bestek in de rotklauwtjes, rekken de nekken om te zien wat de dagschotel is

Ik had het niet achter mezelf gezocht, maar ik ben nu al verknocht aan de paar vierkante meter volkstuin waarop ik sinds januari mag rommelen.

Het volkstuinencomplex is zo dicht bij mijn huis dat ik mijn tuintje vanuit het slaapkamerraam bijna kan zien, elke dag probeer ik er even naartoe te gaan. Al heb ik vanwege de vorst amper bemest; al is de eerste lading voorgezaaide plantjes een tragische dood gestorven omdat ik ziek in bed lag op het moment dat ik ze had moeten overplanten; al heb ik geen idee wat ik precies zit te doen en of ik de plantjes tegenwerk of juist help: ik blijk het echt leuk te vinden.

Er groeit – helemaal vanzelf! – amper onkruid in mijn tuin en daar was ik nogal verguld mee, tot een van de tuinbuurmannen vertelde dat de sprieten heermoes die er wél groeien het alleen doen op hele, hele arme grond. Op zijn aanraden kocht ik een doos met speciaal poeder, die ik leegde boven mijn tuin, en inderdaad: nu groeit er veel meer onkruid.

Los van mijzelf is er één ander levend organisme dat het vanaf het begin buitengewoon naar z’n zin heeft in mijn tuintje: de naaktslak.

Dit jaar etaleert het volkstuinencomplex wat menselijke creativiteit vermag in het geval van een gemeenschappelijke vijand. Zelf probeer ik de slakken te weren door halve colaflessen en glazen vazen over mijn jonge plantjes heen te zetten. De overburen wapenen zich met verhoogde bedden, een ander met stro, eierschalen, kokosdoppen of zand. Of alle vier. Weer een ander graaft potjes bier in, of ommuurt zijn planten met bodemloze emmers.

De natuur blijkt het meestal te winnen van de mensen: telkens als ik over het paadje kom aanlopen word ik verwelkomd door honderden naaktslakken die met hun bestek in hun smerige kleine rotklauwtjes de nekken rekken om te kijken wat de dagschotel is. ‘Oeh boerenkool!’, juichen ze in het slaks.

En inderdaad: binnen een nacht vreten ze alles waar geen vaas overheen staat op. Soms laten ze een geknakt stengeltje achter, meestal niet eens.

Dit weekend begonnen de blaadjes van mijn courgette gelig tegen de binnenkant van het glas te plakken en ik begreep dat ik mijn plantjes, waaraan ik in de afgelopen twee maanden meer gehecht ben geraakt dan aan mijn bloedeigen kinderen, niet langer tegen de boze buitenwereld kon beschermen. Vazen eraf, niet janken. De peultjes, de pompoenen, ja zelfs de komkommers: ze waren klaar om de wind door hun blaadjes en de zon op hun fontanelletje te voelen.

Straks ga ik kijken wat er van ze over is. Door het open raam hoor ik de slakken demonisch lachen.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant columns

Previous

Next