Hoe zal ik reageren, vraag ik me af, wanneer de g’noten van mijn jaarclub AI in een kwartier tijd een roman in mijn stijl laten fabriceren? Daar zie ik ze wel voor aan, namelijk, dat ze dat geinig vinden.
‘Kom maar achter je weefgetouw vandaan, Buwalda, je labeur is niet meer nodig. Let op… hopla! Nog een Buwalda-roman! Zo jongen, mooi toch? Kun je weer normaal doen, haha. Weekend vieren, baby’s maken.’
Mijn reactie zal vermoedelijk afhangen van de kwaliteit van het gebodene. Er zijn drie smaken, een Buwalda-roman die slechter is dan die van mij, twee, een precies even goed exemplaar, en drie, de g’noten schudden betere Buwalda-romans uit hun mouw.
In het eerste geval schop ik de stapel A4's met een karatetrap uit hun kluiven en zwijg er verder over, geen aandacht aan besteden is het beste. In het tweede geval is er ook weinig aan de hand, we zijn nog steeds concurrerend, mijn ambachtelijk streekproduct doet niet onder voor dat van AI, al werk ik trager.
‘Hihi, als je die zes jaar van jou, Buwalda, langer dan je studie, wist je dat, en toen verlummelde je de helft van je tijd, hebben we zelf gezien, deelt door het AI-kwartiertje, dan komen we uit, eens even zien, op een slordige 200.000 keer zo langzaam.’ Sja. Dat ga je merken aan de verkoopprijs. Ik zal, ergo, moeten verhuizen naar een lagelonenland.
Pas in het derde geval, als AI werkelijk, alsof het foto’s van The Joker zijn, per kwartier briljante romans kan genereren, beginnen de problemen. Aanvankelijk zou ik de karatetrap op zak houden, en eerst het Kasparov-effect laten betijen.
Kasparov heeft het allemaal al moeten verduren, hij was al vijftien jaar wereldkampioen schaken toen Deep Blue hem uitdaagde, de supercomputer van IBM. De eerste match won Kasparov nog met 4-2, nou ja, winnen, winnen, twee remises en een complete pot verloren van een stel nullen en enen, is dat wel winnen, maar de rematch, die Deep Blue ‘graag wilde’, werd een serieuze tragedie: 3,5-2,5 voor de bak met chips. Het was zover, het ding kon niet alleen schaken, het kon beter schaken.
‘Is je leven nu mislukt, Buwalda, haha,’ zullen de g’noten informeren. ‘Ja jongens,’ zal ik moeten beamen, ‘mijn leven is mislukt.
‘Ah joh,’ zullen ze antwoorden, ‘zolang je je contributie overmaakt, heb je ons nog. Op je gezondheid, jongen!’
Toch nog karate zal ik toepassen, dit keer geen voorwaartse wreeftrap onder het verbluffende AI-meesterwerk, poef, confetti, maar een ushiro tobi geri, een achterwaartse kick waarmee ik Bonkies voorhoofd zal treffen, de g’noot die cki studeerde, al in 1990, cognitieve kunstmatige intelligentie – AI, dus. En dat zit in je jaarclub, trekkend aan zijn sigaar, permanent uitdenkende de artistieke apocalyps.
Wat mij rest, zittend op de bewusteloze Bonk, is terugfilosoferen. Ik zal proberen aan te tonen dat mensen niet geïnteresseerd zijn machinale prestaties.
‘Denk je, haha. Die Buwalda. Wij zijn wel nieuwsgierig hoor, naar een mooie AI-roman.’ Met hun handen en gespreide vingers zullen ze glooiende bewegingen maken, voorstellende sferen en verhaallijnen.
Als voorbeeld zal ik Ria Stalman opvoeren, de kogelstootster, vergelijk Ria eens met een VOC-kanon. Ik zal de g’noten vragen naar wie ze liever kijken, naar Stalman die haar kogel 18 meter van zich afstoot, of naar zo’n kanon dat met een harde streep een rokend gat in de tribunes schiet.
‘Haha,’ zullen de g’noten zeggen, ‘doe ons dat kanon maar, Buwalda, dat willen we wel eens zien!’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns