Toen onze poes Beertje was gestorven, begroeven we haar in een hoekje van de tuin, in een grafje met fluitenkruid en boterbloemen, en lasten we een poesloze rouwperiode in. Uit respect voor die lieve dode poes die geen vlieg kwaad deed, omdat ze daar te traag en te bedachtzaam voor was.
Na een paar maanden vond de rest van mijn gezin dat het respect wel lang genoeg had geduurd en togen ze naar het asiel voor een kitten, en als die er niet was een leuke pluizige occasion. Of twee, belden man en kinderen vanuit het asiel, want één poes, Ukkie, die was heel lief, ‘dus die wordt het sowieso, maar er was er nog een en die was zwart, en het zielige was dat niemand die dus wilde, vanwege bijgeloof, dus of wij dan óók die zwarte, o mama please pleeeeaaaase?’ Ze hield eigenlijk niet zo van kinderen, maar in een huis met een peuter en een kind wonen is natuurlijk stukken minder droevig dan voor eeuwig wegteren in een asiel, dus vooruit, Ukkie én Mischa mochten bij ons komen wonen.
Over de auteur
Katinka Polderman schrijft voor de Volkskrant columns over het dagelijks leven.
Na drie weken liet het asiel weten dat er iets fout was gegaan: Ukkie was niet Ukkie maar Guusje, en Guusje kon niet met kinderen, en met andere katten kon ze eigenlijk ook niet. We dachten al: wat zit ze toch veel op zolder. Toch leek ze te wennen bij ons, en bovendien was de echte Ukkie inmiddels – als Guusje – aan iemand anders meegegeven.
Nu hebben we dus twee katten die elkaar en ons – in het beste geval – gedogen. Maar ze rennen niet meer altíjd voor ons weg en steeds vaker komen ze zelfs naar ons tóé. Soms vind ik ze zelfs redelijk... sympathiek.
Tot gisteravond, toen ik door de grote ramen van de tuindeuren de tuin in keek. Nog geen meter van me vandaan zat Mischa hartstochtelijk te kluiven op een halve koolmees. Als ik het goed zag, was het het bovenlijf dat ze met veren en al naar binnen werkte, alsof ze niet de hele dag een bak graanvrije brokken à 14 euro per kilo heeft staan, aangevuld met nat voer assorti en allerlei poezensnoep. Ze keek op, een veertje aan haar kinnetje, en als poezen mensengezichten konden lezen had ze op mijn gezicht een melange van walging en diepe teleurstelling kunnen zien. Ze begroef haar snuitje weer in het vogellijkje, en met nog steeds dat veertje wuft aan haar kin keek ze me weer aan. Even dacht ik schaamte te zien: ‘Dit zijn mijn eeuwenoude instincten’, sprak ze met haar ogen, ‘het is walgelijk, maar het is sterker dan ik.’ Maar waarschijnlijk zag ik het verkeerd en was het minachting. Weg sympathie.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns