Op Wereldvluchtelingendag (20 juni) betrad ik het hoofdkwartier van de Rabobank in Utrecht waar voor de gelegenheid over dromen werd gesproken, en vluchtelingen uiteraard. De vooruitgang zal zijn voltooid als iedereen zijn eigen dag heeft, de vluchteling, de diabetespatiënt, en de spijtmoeder. Tot die tijd blijft het behelpen.
Ik sprak over de geboorteloterij: het toeval en het noodlot zijn niet van elkaar te scheiden, al wordt het soms op prijs gesteld als je tegenspartelt, de een mag tegenspartelen, de ander niet – het migratiedebat in een notendop.
Daarna moest ik weg. De spreker had nog andere verplichtingen.
Amper 48 uur later landde ik in Belgrado waar het 38 graden was, een gelige nevel hing over de stad. ‘Gisteren was het heter’, zei de man die me van het vliegtuig afhaalde, tevens organisator van festival Krokodil.
Hij zei ook: ‘Wij zijn de oppositie.’
In 2004 was ik voor het laatst in Belgrado geweest. De oorlog – de Joegoslavië-oorlog – was toen nog vers, nu leek die oorlog alleen maar verser geworden.
Op weg van het vliegveld naar de stad werd de reiziger verwelkomd met leuzen als: ‘Kosovo is van Servië.’ Of: ‘Wij zijn geen volk van genocidairs.’
Vooral die laatste leus vond ik een merkwaardige om reizigers mee te verwelkomen, maar vermoedelijk is dat de toekomst, de reiziger wordt ontvangen met verwijzingen naar genocide. Landen die tegen de recente VN-resolutie over Srebrenica hadden gestemd, of zich van stemming hadden onthouden, werden bedankt.
In een restaurant waar twee huwelijksfeesten plaatsvonden – de bruidegoms trouwden allebei voor de tweede keer, ook toeval – vertelde een Servische radiopresentator: ‘Waar er ook ter wereld wordt gevochten, er zijn altijd Servische wapens te vinden. Wij discrimineren niemand, wij leveren wapens aan iedereen die betaalt.’
Festival Krokodil ging die avond niet door vanwege de weersomstandigheden. Oftewel: de oppositie was afgelast vanwege regen.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns